Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vader, bijgestaan door mr. R. Odink (waarnemend);
- mr. Hendrix;
- de bijzondere curator.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft de vader in hoger beroep verzocht om de erkenning van zijn vaderschap van een minderjarige te vernietigen, stellende dat hij niet de biologische vader zou zijn. De moeder stemde in met dit verzoek, maar weigerde medewerking aan een DNA-onderzoek. De bijzondere curator stelde dat vernietiging niet in het belang van het kind is en dat het juridisch vaderschap moet blijven bestaan zolang het biologische vaderschap niet is weerlegd.
Het hof overwoog dat de erkenning met toestemming van de moeder vóór de geboorte is gedaan, waardoor het vermoeden van biologische vaderschap geldt. Er zijn geen voldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die het vermoeden ontkrachten. Het weigeren van DNA-onderzoek door de moeder leidt niet tot de conclusie dat de vader niet biologisch is. De enkele stelling van de vader over vermeend vreemdgaan van de moeder is onvoldoende concreet en wordt gemotiveerd betwist.
Het hof wijst het verzoek tot vernietiging af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee blijft het juridisch vaderschap van de vader gehandhaafd, ondanks de onduidelijkheid over het biologische vaderschap.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vernietiging van de erkenning af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.