ECLI:NL:GHSHE:2020:3920

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
200.236.629_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling definitieve minimale contactregeling tussen vader en minderjarige in belang van het kind

In deze zaak ging het om de vaststelling van een definitieve contactregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind na een voorlopige regeling. Het hof had eerder een voorlopige regeling vastgesteld waarbij contact eenmaal per drie weken plaatsvond. De Raad voor de Kinderbescherming bracht een nader rapport uit waarin werd geadviseerd de contactfrequentie te verhogen naar eenmaal per twee weken, met een contactduur van vrijdagmiddag tot zondag 16.00 uur.

De raad stelde dat de minderjarige te veel verantwoordelijkheid kreeg om het contact zelf te bepalen, wat gezien zijn leeftijd en zichtbare problematiek op school niet wenselijk was. De ouders werden geadviseerd zelf de regie te nemen en een minimale contactregeling vast te stellen die voorspelbaarheid en duidelijkheid biedt aan het kind.

Partijen stemden in met het advies van de raad. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank en stelde de definitieve regeling vast zoals geadviseerd, waarbij het kind eenmaal per twee weken contact heeft met de vader van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur. Dit geeft het kind de mogelijkheid om zondag bij de moeder tot rust te komen voor school.

Het hof benadrukte dat ouders vrij zijn om in onderling overleg de regeling uit te breiden, maar dat zij rekening moeten houden met de draagkracht van het kind en zelf de leidende rol moeten nemen in beslissingen over het contact. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof stelde een definitieve contactregeling vast waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondag 16.00 uur contact heeft met de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 17 december 2020
Zaaknummer: 200.236.629/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/299946 FA RK 15-3534
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.E. Sprenkeling,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak betreft de minderjarige:
- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

9.De beschikking van 10 oktober 2019

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vader en [minderjarige] , tot hierop door het hof nader is beslist, voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende eenmaal per drie weken van vrijdagmiddag na school tot zondag 11.00 uur.
Bij die beschikking heeft het hof voorts de raad verzocht om aan het hof een nader rapport en advies uit te brengen omtrent het verloop van voornoemde voorlopige regeling tussen de vader en [minderjarige] en het hof nader te adviseren omtrent een definitieve regeling.
Het hof heeft iedere verdere beslissing omtrent de definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] aangehouden tot 10 juli 2020 pro forma.
10. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het (nadere) rapport van de raad d.d. 22 september 2020;
- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de vader op 24 september 2020;
- het V6-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 1 oktober 2020.
10.2.
Nu partijen bij voormelde V-formulieren het hof hebben bericht dat zij zich met de door de raad geadviseerde definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] kunnen verenigen, zal het hof deze zaak op de stukken afdoen.

11.De verdere beoordeling

11.1.
De raad heeft in het (nadere) rapport van 22 september 2020 – samengevat – het hof als volgt geadviseerd.
Er dient een definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedings-taken te worden vastgesteld, waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondag 16:00 uur contact heeft met de vader. Op deze manier kan [minderjarige] op zondag nog even tot rust komen in de thuissituatie bij de moeder, om vervolgens maandagochtend fris op school te kunnen beginnen. De eerder vastgestelde voorlopige contactregeling is goed verlopen. Het is de ouders gelukt om deze regeling gezamenlijk vorm te geven en in onderling overleg te komen tot extra contactmomenten. Er bestaan geen grote belemmeringen waardoor het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt zou moeten worden of waarom de ouders niet in onderling overleg tot uitzonderingen en extra contactmomenten zouden kunnen komen. De raad vindt wel dat [minderjarige] van de ouders nog te veel de ruimte krijgt om het contact met de vader zelf te bepalen. Dit kan – gelet op de leeftijd van [minderjarige] – een te grote verantwoordelijkheid voor hem zijn. De ouders moeten hierin zelf de regie nemen. [minderjarige] is een kind dat voorspelbaarheid en duidelijkheid nodig heeft. De raad vindt daarom een minimale contactregeling in het belang van [minderjarige] . Deze minimale contactregeling zorgt ervoor dat [minderjarige] wordt ontlast in de te grote verantwoordelijkheid dat de keuze voor het contact met de vader bij hem ligt. Indien de ouders deze minimale contactregeling willen uitbreiden, dan staat het hen vrij om dit in onderling overleg vorm te geven. De raad merkt hierbij wel op dat [minderjarige] een jongen is met zichtbare problematiek, met name op school. [minderjarige] kan moeilijk omgaan met veranderingen en/of het accepteren van gezag. De ouders moeten hiermee rekening te houden bij de aanpassing van de minimale contactregeling.
11.2.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op het (nadere) rapport van de raad te reageren.
11.3.
Uit voornoemde V-formulieren van 24 september 2020 respectievelijk 1 oktober 2020 blijkt dat de ouders zich kunnen verenigen met de door de raad geadviseerde definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] .
11.4.
Het hof overweegt het volgende.
11.4.1.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253 a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
11.4.2.
Het hof stelt vast dat uit het (nadere) rapport van de raad van 22 september 2020 blijkt dat de eerder door het hof vastgestelde voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] goed is verlopen. Het is de ouders zelfs gelukt om, naast deze regeling, in onderling overleg te komen tot extra contactmomenten. De raad heeft echter wel geconstateerd dat [minderjarige] van de ouders te veel de ruimte krijgt om het contact met de vader zelf te bepalen. Het hof is met de raad van oordeel dat dit – gelet op de leeftijd van [minderjarige] – een te grote verantwoordelijkheid voor [minderjarige] is. De ouders moeten, voor wat betreft het contact tussen de vader en [minderjarige] , voortaan zelf de regie nemen. Verder volgt uit het (nadere) rapport van de raad dat [minderjarige] – mede gelet op zijn kind-eigen problematiek – behoefte heeft aan duidelijkheid en voorspelbaarheid omtrent het contact met zijn vader.
Het hof zal daarom overeenkomstig het advies van de raad, een definitieve minimale contactregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen, omdat het hof dit evenals de raad in het belang van [minderjarige] acht. Dit betekent concreet dat [minderjarige] één keer per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondag 16.00 uur contact heeft met de vader. Door de eindtijd van het contactmoment op zondag om 16.00 uur te bepalen, behoudt [minderjarige] de ruimte om op zondag bij de moeder thuis te acclimatiseren, voordat hij op maandag weer naar school gaat.
Het hof vertrouwt er op dat de ouders uitvoering zullen geven aan deze minimale contact-regeling en dat [minderjarige] niet langer de ruimte van hen krijgt om het contact met de vader zelf te bepalen. Het hof voegt daar nog aan toe dat het de ouders vrij staat om in onderling overleg deze minimale contactregeling aan te passen dan wel uit te breiden. Daarbij moeten de ouders, gelet op de kind-eigen problematiek van [minderjarige] , wel rekening houden met de draagkracht van [minderjarige] . Voor de aanpassing dan wel de uitbreiding van de minimale contactregeling geldt dat de ouders [minderjarige] hierbij wel mogen betrekken, maar dat zij ook op dit punt als ouders een leidende en beslissende rol moeten innemen.
11.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als volgt.

12.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 december 2017,
en opnieuw rechtdoende:
stelt een definitieve regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast tussen de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , waarbij zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende één keer per twee weken van vrijdagmiddag na school tot zondag, waarbij [minderjarige] op zondag om 16.00 uur terug bij de moeder is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en
H. van Winkel en is op 17 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.