Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
,
[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarige door de man heeft verleend. De moeder is tegen deze beslissing in beroep gegaan omdat zij vreest voor haar en het kind en betwist dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een hernieuwde belangenafweging rechtvaardigen.
Het hof oordeelt dat artikel 236 Rv Pro beperkt wordt door artikel 1:204 lid 3 BW Pro, waardoor bij een verzoek tot vervangende toestemming een concrete belangenafweging moet plaatsvinden. Het hof stelt vast dat de man ontvankelijk is omdat er sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden, zoals een verbeterde thuissituatie en hulpverlening, ondanks de betwisting van de moeder.
Inhoudelijk weegt het hof het belang van de man en het kind op erkenning af tegen het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind. De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat erkenning haar belangen schaadt of dat het kind risico loopt op belemmering van zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen.
Uitkomst: Het hof verklaart de man ontvankelijk en wijst het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe, waarbij het beroep van de moeder wordt afgewezen.