Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
[minderjarige](hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
De ouders zijn weliswaar in artikel 2 van Pro het ouderschapsplan overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft en op het adres van de moeder staat ingeschreven, maar daaruit blijkt niet dat de vader toestemming heeft verleend voor de verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats van de moeder] , dan wel dat het de moeder vrij stond zonder toestemming van de vader naar [woonplaats van de moeder] te verhuizen. Dit blijkt ook niet uit het tevens in artikel 2 van Pro het ouderschapsplan bepaalde dat de inschrijving van de kinderopvang in [woonplaats van de moeder] zal plaatsvinden, gelet op de door de vader daarvoor gegeven, niet weersproken, verklaring dat bewust voor een dagverblijf in [woonplaats van de moeder] is gekozen omdat beiden daar (toentertijd) werkten.
Evenmin kan uit artikel 10 van Pro het ouderschapsplan – dat indien één van de ouders wenst te verhuizen waardoor hij/zij op een afstand van meer dan 30 km van de andere ouder komt te wonen, dat aanleiding zal zijn met elkaar in overleg te gaan over of de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken herziening behoeven – worden afgeleid dat partijen ondubbelzinnig de bedoeling hadden dat bij een verhuizing over een afstand van minder dan 30 kilometer, van de andere ouder geen toestemming nodig zou zijn.