De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die een machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon heeft verleend. De minderjarige staat onder toezicht van een gecertificeerde instelling sinds juli 2018 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging.
De vader betwistte de noodzaak van uithuisplaatsing en stelde dat hulp ook thuis mogelijk is, mede omdat hij zelf hulp zoekt en het contact met de moeder verbetert. De moeder erkent de problemen en accepteert de uithuisplaatsing als noodzakelijk voor het welzijn van het kind. De gecertificeerde instelling benadrukt dat beide ouders momenteel niet in staat zijn om de noodzakelijke stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden en dat de minderjarige gedrags- en hechtingsproblemen vertoont.
Het hof overweegt dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing op grond van artikel 1:265b lid 1 BW. Er is sprake van ernstige ontwikkelingsbedreiging, traumagerelateerde problematiek en loyaliteitsproblemen bij de minderjarige. De thuissituaties bieden onvoldoende rust en structuur, en de hulpverlening kan pas effectief worden ingezet in een neutrale, stabiele omgeving.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn incidentele schorsingsverzoek. De machtiging tot uithuisplaatsing blijft van kracht tot uiterlijk 26 juli 2021.