Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2020:4005

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 december 2020
Publicatiedatum
24 december 2020
Zaaknummer
200.271.641_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 BWArt. 1:449 BWArt. 1:432 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging bewind na afwijzing opheffing en benoeming echtgenote als bewindvoerder

Het hof heeft bij uitspraak van 24 december 2020 het hoger beroep behandeld van appellant tegen de beschikking van de kantonrechter die het verzoek tot opheffing van het bewind had afgewezen. Appellant betoogde dat het bewind niet langer nodig was en verzocht subsidiair om benoeming van zijn echtgenote tot bewindvoerder.

De kantonrechter had in 2011 bewind ingesteld vanwege problematische schulden en het niet kunnen beheren van vermogensrechtelijke belangen. Appellant stelde dat hij en zijn echtgenote inmiddels hun financiën samen konden beheren, dat hij geen verslavingsproblemen meer had en dat het traject naar zelfredzaamheid door toedoen van de bewindvoerder niet was geslaagd.

De bewindvoerder stelde dat het bewind nog steeds noodzakelijk was omdat appellant onvoldoende had aangetoond zijn financiën zelfstandig te kunnen beheren en dat het contact met appellant vooral via zijn echtgenote verliep, wat de zelfredzaamheid bemoeilijkte. De echtgenote van appellant bevestigde dat zij samen de financiën beheren, maar dat het niet duidelijk was waar het spaargeld was gebleven.

Het hof oordeelde dat op basis van de stukken en mondelinge behandeling niet was gebleken dat de noodzaak van het bewind was komen te vervallen. Ook was het niet voldoende duidelijk dat appellant en zijn echtgenote samen hun financiële belangen behoorlijk konden waarnemen. Het hof benadrukte dat een constructief gesprek met de bewindvoerder noodzakelijk is om dit te kunnen aantonen. Daarom werd het verzoek tot opheffing van het bewind en tot benoeming van de echtgenote als bewindvoerder afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind en wijst het verzoek tot benoeming van de echtgenote als bewindvoerder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 24 december 2020
Zaaknummer: 200.271.641/01
Zaaknummer eerste aanleg: 7163622 OV VERZ 18-9427
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. E.H.M. Graafmans.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
- [Bewinvoeringen B.V.] Bewindvoeringen B.V, gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de bewindvoerder);
- [de echtgenote van appellant] , de echtgenote van appellant (hierna te noemen: de echtgenote van [appellant] ).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 december 2019, heeft [appellant] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende ontslag te verlenen aan de bewindvoerder, kosten rechtens.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. In verband met de RIVM-maatregelen rondom COVID-19 (coronavirus) zijn door middel van een digitale beeld- en geluidsverbinding gehoord:
  • [appellant] , bijgestaan door mr. Graafmans
  • de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [medewerker] ;
  • de echtgenote van [appellant] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlage van de advocaat van [appellant] , ingekomen op 29 oktober 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 1 december 2011 heeft de kantonrechter in de rechtbank Middelburg over de goederen die [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van [Bewinvoeringen B.V.] Bewindvoeringen B.V. tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
[appellant] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[appellant] is primair van mening dat het bewind niet nodig is en subsidiair wil hij dat zijn echtgenote tot bewindvoerder wordt benoemd. Het is onwerkbaar dat het inkomen van [appellant] onder bewind staat en dat van zijn echtgenote niet. [appellant] en zijn echtgenote willen samen hun financiën beheren. Zij hebben hun leven op orde. [appellant] heeft geen drank- of drugsproblemen meer en de schulden zijn afgelost. Het traject van zelfredzaamheid is door toedoen van de bewindvoerder niet van de grond gekomen.
De bewindvoerder is vooringenomen ten aanzien van de echtgenote van [appellant] . Met het geld van [appellant] zijn geen schulden van zijn echtgenote afgelost. De schulden zijn ontstaan bij aanvang van de samenleving zodat het ook schulden van [appellant] zijn en het niet meer dan redelijk is dat [appellant] hieraan meebetaalt. [appellant] heeft zelf extra kosten gehad in verband met twee rechtszaken. De kosten van het bewind ad. € 130,-- per maand moet [appellant] zelf betalen. Verder zijn er uitgaven gedaan in verband met de op komst zijnde baby en de begrafenis van de baby. Als er een redelijke buffer is, is het niet nodig om zoveel te sparen en heeft [appellant] recht op extra uitgaven aangezien hij slechts € 40,-- leefgeld per week krijgt.
3.5.
De bewindvoerder voert, kort samengevat, het volgende aan.
Het bewind is nog nodig. [appellant] heeft de bewindvoerder niet laten zien dat hij zijn financiën zelf kan beheren, omdat het traject naar zelfredzaamheid tot nu toe niet van de grond is gekomen. Dit komt met name door toedoen van de echtgenote van [appellant] , waardoor het niet mogelijk is om een constructief gesprek te voeren. Het baart de bewindvoerder zorgen dat al het contact via de echtgenote van [appellant] verloopt. Als het gaat om zelfredzaamheid met betrekking tot de financiën moet [appellant] ook laten zien dat hij kan acteren en moet zijn echtgenote niet de hele regie gaan voeren. De bewindvoerder heeft zo nu en dan zijn twijfels (gehad) over de intenties van de echtgenote van [appellant] . Om die reden zou zij geen bewindvoerder moeten worden. Het is ook niet duidelijk of [appellant] samen met zijn echtgenote de financiën kan beheren. Het contact tussen de bewindvoerder en [appellant] verloopt naar behoren. Met het budgetbeheer voor de echtgenote van [appellant] is de bewindvoerder gestopt omdat het niet uitvoerbaar was. Het is niet ideaal dat het vermogen van [appellant] onder bewind staat en dat van zijn echtgenote niet, maar het is wel werkbaar.
Het spaarsaldo van [appellant] is de afgelopen jaren behoorlijk teruggelopen. Zonder het bewind zal dit waarschijnlijk helemaal opraken, terwijl er een spaarpot moet zijn voor onvoorziene uitgaven. Vanwege de beperkte ruimte van € 180,-- per maand moet [appellant] heel spaarzaam zijn om zijn spaarsaldo weer op te bouwen. [appellant] is geconfronteerd met kosten in verband met procedures die zijn echtgenote heeft gevoerd.
3.6.
De echtgenote van [appellant] voert, kort samengevat, het volgende aan.
Vanwege hun huwelijk doen [appellant] en zijn echtgenote de financiën samen. De echtgenote van [appellant] heeft uitgelegd hoe het zit met inkomsten en uitgaven. [appellant] weet nu hoe hij een huishouden moet runnen en hij heeft zijn echtgenote laten zien dat hij het kan. [appellant] communiceerde weliswaar via het mailadres van zijn echtgenote, maar hij heeft veel zelf gedaan. Mocht het toch niet lukken dan kan [appellant] in het vrijwillig kader hulp zoeken. In verband met het traject om te komen tot zelfredzaamheid is de echtgenote van [appellant] naar de bewindvoerder gegaan, maar zij is door de bewindvoerder weggestuurd.
De eigen bijdrage in het kader van juridische procedures is door het huwelijk niet gering. [appellant] en zijn echtgenote weten niet waar de rest van het spaargeld aan op is gegaan.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.7.2.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
3.7.3.
Artikel 1:435 lid 4 BW Pro bepaalt, voor zover van belang, dat, indien de rechthebbende gehuwd is, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder wordt benoemd, tenzij lid 3 van toepassing is. Huwt de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken, dat de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere levensgezel in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd. Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW Pro volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.7.4.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof niet gebleken dat de noodzaak tot het bewind niet meer bestaat. Het traject naar zelfredzaamheid – waarvoor de bewindvoerder nog altijd open staat – is tot op heden niet van de grond gekomen, waardoor niet is gebleken dat [appellant] in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Gelet op het voorgaande dient het bewind dan ook niet te worden opgeheven.
3.7.5.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van [appellant] om, nu hij inmiddels is gehuwd, zijn echtgenote tot bewindvoerder te benoemen, overweegt het hof als volgt. Het is op dit moment nog niet voldoende duidelijk of [appellant] en zijn echtgenote samen in staat zijn hun financiële belangen behoorlijk waar te nemen. Indien [appellant] en zijn echtgenote willen laten zien dat zij hiertoe in staat zijn, moeten zij (om te beginnen) met de bewindvoerder het gesprek aangaan. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij hiervoor open staat. Van [appellant] en zijn echtgenote wordt verwacht dat zij dit gesprek op een open, constructieve en positieve wijze ingaan en dat zij met de bewindvoerder gaan samenwerken. Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van het hof op dit moment gegronde redenen welke zich tegen de benoeming van de echtgenote van [appellant] tot bewindvoerder verzetten.
3.8.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
3.9.
Gezien de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 oktober 2019;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, H. van Winkel en C.L.M. Smeets en is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.