Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
- in de administratie van belanghebbende zijn facturen aan Centrumgebouw [F] B.V. te [plaats 1] (hierna, ook wel aangeduid als: Centrumgebouw) van 15 juli 2014 aangetroffen, waarop omzetbelasting is vermeld, die belanghebbende niet in de aangifte omzetbelasting over de maand juli 2014 heeft verantwoord. De omzetbelasting op deze facturen beloopt in totaal (afgerond) € 529.286 (hierna: correctie 1);
- een (uitgaande) factuur van 15 maart 2013, met daarop een bedrag aan omzetbelasting van (afgerond) € 61.617, is niet in de administratie verwerkt (hierna: correctie 2);
- in 2013 is een drietal facturen, met daarop een bedrag aan omzetbelasting van in totaal (afgerond) € 95.233, ten onrechte gecrediteerd (hierna: correctie 3);
- in maart 2014 is een voorschot ontvangen van € 1.150.000. Van dit bedrag is € 925.000 op 24 maart 2014 per bank ontvangen. Dat bedrag is geboekt als ‘nog te factureren omzet’. Op grond van artikel 13, lid 2 Wet OB is hierover omzetbelasting verschuldigd, die is berekend op 21/121 x € 1.150.000 = (afgerond) € 199.586 (hierna: correctie 4);
- voor 2013 is een verschil in de voorbelasting tussen de grootboekrekening BTW inkoop en de aangiften geconstateerd van € 8.441 (hierna: correctie 5);
- in de maand juni 2014 is voorbelasting in aftrek is gebracht, tot een bedrag van € 2.616, waaraan geen factuur met omzetbelasting ten grondslag ligt (hierna: correctie 6);
- in 2014 is een bedrag van € 17.441 aan voorbelasting in aftrek gebracht, dit bedrag heeft betrekking op een aan een zustervennootschap van belanghebbende gerichte factuur van het jaar 2011 (hierna: correctie 7);
- in 2013 en 2014 is geen omzetbelasting in aanmerking is genomen voor het privégebruik van een personenauto van belanghebbende. De correctie bedraagt in totaal € 4.095 (hierna: correctie 8); en
- op 15 januari 2016 is aan belanghebbende een brief gezonden, waarin het voornemen is meegedeeld tot het opleggen van boetes, gebaseerd op twee afzonderlijke gedragingen, waarbij is verwezen naar artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) respectievelijk artikel 10a AWR, en belanghebbende de gelegenheid is geboden binnen 14 dagen hierop te reageren. Voor beide gedragingen is een vergrijpboete aangekondigd van 25% van de nageheven belasting, berekend op twee keer € 229.005.
3.Geschil en conclusies van partijen
Hof;10 juli 2014 en] 15 juli 2014 betrekking hebben op belaste omzet. Zij stelt echter dat Centrumgebouw [F] B.V. failliet is en dat zij om teruggaaf (verrekening) van de verschuldigde omzetbelasting heeft verzocht op grond van artikel 29, lid 1, onderdeel a van de Wet OB (hierna: het verzoek). Voorts is volgens belanghebbende met de ontvanger van de Belastingdienst afgesproken dat hij op de facturen van belanghebbende aan Centrumgebouw [F] B.V. geen voorbelasting zou terugbetalen en dat belanghebbende de betreffende omzetbelasting dan niet zou hoeven af te dragen (de ‘nuloptie’ zoals belanghebbende het noemt).
Ten aanzien van correctie 1
Ten aanzien van correctie 3
Ten aanzien van correctie 5
Ten aanzien van correctie 6
5.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het verzoek om schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht;
- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de vernietiging van de artikel 10a AWR-boete en van het niet vergoeden van de kosten van bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 718.729 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de boete tot een bedrag van € 40.725;
- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 508 vergoedt;
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 1.050; en
- veroordeelt de Minister tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de behandeling van het hoger beroep toerekenbare immateriële schade bepaald op € 250.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).