De minderjarige, geboren in 2005, had sinds 2012 haar hoofdverblijfplaats bij de vader. In 2015 werd co-ouderschap vastgesteld waarbij de minderjarige formeel de helft van de tijd bij de moeder en de helft bij de vader woonde. Sinds de zomer van 2018 werd deze regeling niet meer uitgevoerd en woonde de minderjarige volledig bij de vader.
De moeder was psychisch instabiel en vertoonde onvoorspelbaar en onveilig gedrag, onder meer na het stopzetten van haar behandeling en het gebruik van cannabis. Dit leidde tot een onveilige opvoedomgeving voor de minderjarige bij de moeder. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht daarom om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, die door de rechtbank werd verleend.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing, stellende dat er geen sprake was van uithuisplaatsing omdat de minderjarige al bij de vader woonde en dat de GI contactbeperkende maatregelen zonder rechterlijke machtiging had opgelegd. Het hof oordeelde dat de GI terecht de machtiging tot uithuisplaatsing had gevraagd om het verblijf bij de vader te formaliseren en de veiligheid van de minderjarige te waarborgen.
Het hof bevestigde dat de opvoedsituatie bij de moeder onvoldoende veilig was, mede gelet op agressief gedrag van de moeder en het contact- en straatverbod. De minderjarige voelde zich veilig bij de vader en ontwikkelde zich positief. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank met aanvulling van gronden.