Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
primaireconclusie is dat [belanghebbende] als inhoudingsplichtige moet worden aangemerkt.
Subsidiairwordt (in par.4.2.1) ten aanzien van de in Nederland te werk gestelde Bulgaarse arbeidskrachten [vennootschap 1] resp. [vennootschap 2] aangemerkt als inhoudingsplichtige op basis van artikel 6-3-b Wet LB.” ’
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
verklaarthet hoger beroep ongegrond;
verklaarthet incidentele hoger beroep ongegrond;
vermindertde boetebeschikking tot € 28.700;
veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 525;
veroordeeltde Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de immateriële schade, bepaald op € 500.