Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014 onroerende zaken opgegeven in box 3. De Inspecteur verzocht om kopieën van huurcontracten van deze onroerende zaken ter controle van de juistheid van de aangiften. Na het uitblijven van een reactie gaf de Inspecteur een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, dat werd afgewezen, waarna hij in beroep ging bij de Rechtbank. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde belanghebbende een termijn van twee weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.
Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het Hof. Het Hof overwoog dat belanghebbende dezelfde argumenten gebruikte als in eerdere procedures over informatiebeschikkingen voor 2010 en 2011, waarin hij in het ongelijk werd gesteld, ook door de Hoge Raad. De grief dat de termijn van twee weken onredelijk kort zou zijn, werd eveneens verworpen. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.
Het Hof gaf belanghebbende de gelegenheid om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog aan het informatieverzoek te voldoen. Het griffierecht wordt niet vergoed en er worden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.