ECLI:NL:GHSHE:2020:735

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 februari 2020
Publicatiedatum
27 februari 2020
Zaaknummer
200.269.947_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1.1 JeugdwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging uithuisplaatsing minderjarige wegens veiligheidszorgen

Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, welke sinds augustus 2019 uit huis is geplaatst op grond van veiligheidszorgen.

De moeder betwist de gronden voor de uithuisplaatsing en stelt dat er geen sprake is van een veiligheidsprobleem of bedreiging van de belangen van het kind. Zij geeft aan samen te willen werken met hulpverlening en heeft haar relatie met een partner beëindigd. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stellen echter dat er nog steeds sprake is van huiselijk geweld en instabiliteit, en dat de veiligheid van het kind in de thuissituatie niet gegarandeerd is.

Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de uithuisplaatsing zijn vervuld. Ondanks de ontkenningen van de moeder zijn er meldingen van incidenten en is de situatie feitelijk zorgelijker geworden. Het hof acht de situatie bij de moeder onvoldoende stabiel en concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft ter bescherming van het kind.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de machtiging tot uithuisplaatsing verlengt tot uiterlijk 30 april 2020 en wijst het beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige tot uiterlijk 30 april 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 27 februari 2020
Zaaknummer : 200.269.947/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/351258 / JE RK 19-1524
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.J.B.C. Maton,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
verweerder,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 oktober 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 27 november 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Maton;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] .
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het beroepschrift met alle bijbehorende bijlagen, ingekomen op 24 januari 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2014 [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 31 juli 2019 onder toezicht van de GI. Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 oktober 2020.
3.3.
Op grond van een op 31 juli 2019 verleende machtiging is [minderjarige] sinds 6 augustus 2019 uit huis geplaatst.
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 31 oktober 2019 tot uiterlijk 30 april 2020.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.
De gronden voor een uithuisplaatsing zijn niet aanwezig. Bij de moeder is geen sprake van een veiligheidsprobleem. Van een bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van [minderjarige] is geen sprake. De raad heeft geen zicht op de leefomgeving en opvoedsituatie van [minderjarige] en de zorgen zijn zeer overtrokken. De door de moeder gedane aangiftes zijn ernstig aangedikt en de politie doet valse meldingen. [minderjarige] heeft niet aangegeven dat de heer [naam] hem pijn heeft gedaan, dat er hard tegen hem is geschreeuwd en dat hij thuis soms bang is. De verhalen over de incidenten op 15 en 31 december 2019 kloppen niet. De moeder heeft niet met [naam] aan de deur van grootouders moederszijde gestaan en [naam] zegt nooit iets tegen grootouders moederszijde.
Er zijn lichtere maatregelen voorhanden, zodat [minderjarige] weer thuis kan wonen. De moeder wil samenwerken met de GI en meewerken aan hulpverlening. Er heeft een psychologisch onderzoek plaatsgevonden en de moeder heeft maandelijks gesprekken met de GGZ. De moeder heeft haar relatie met [naam] verbroken, omdat dat van de GI moest. Sinds vorige week woont [naam] niet meer bij de moeder. Zij gebruikt sinds twee maanden geen drugs meer.
3.7.
De raad voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] heeft al veel meegemaakt. In de thuissituatie bij de moeder was sprake van huiselijk geweld en instabiliteit. Bij [minderjarige] is mogelijk sprake van een trauma en er zijn vragen over zijn hechting. Verder moet gekeken worden naar zijn seksuele ontwikkeling. De moeder heeft hulpverlening nodig vanwege haar problematiek. Het huiselijk geweld vormde de basis voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en er zijn signalen dat daarin nog geen verandering is gekomen. De moeder lijkt de relatie met [naam] te hebben verbroken, maar niet te hebben beëindigd. Het is nu aan de moeder om stappen te zetten.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
Met [minderjarige] gaat het goed in het pleeggezin en op school. De bezoekmomenten met de moeder en grootouders moederszijde verlopen redelijk goed. Tijdens de bezoekmomenten gaan de moeder en [minderjarige] liefdevol met elkaar om. Bij [minderjarige] heeft geen onderzoek plaatsgevonden en dit staat ook niet op de planning.
De moeder is geen slechte moeder, maar de zorgen die er waren, zijn er nog altijd. De veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder is absoluut nog niet gegarandeerd. Van de politie heeft de GI begrepen dat er op 15 en 31 december 2019 nog incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij de politie speedgebruik vermoedde bij zowel de moeder als [naam] en de moeder de laatste keer uit huis is gevlucht wegens huiselijk geweld. Ook hebben de moeder en [naam] bij grootouders moederszijde aan de deur gestaan op het moment dat [minderjarige] daar was, waarbij [naam] ongepaste taal heeft gebruikt. De netwerkscreening van grootouders moederszijde, die op korte afstand van de moeder wonen, is om die reden stopgezet. [minderjarige] heeft in het pleeggezin aangegeven dat hij met een kussen op de bank ging liggen zodat hij niet hoorde dat [naam] de moeder pijn deed. De GI betwijfelt of de moeder haar relatie met de heer [naam] heeft verbroken. Indien de moeder hulpverlening accepteert en zij de relatie met [naam] daadwerkelijk verbroken blijkt te hebben, kan gekeken worden naar een uitbreiding van de omgang en een eventuele terugplaatsing naar de moeder via een plaatsing bij grootouders moederszijde.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
3.9.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.9.3.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.9.4.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
Tijdens de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de zorgen omtrent de (veiligheids)situatie bij de moeder nog aanwezig zijn. De moeder ziet de zorgen over de veiligheid van [minderjarige] echter nog altijd niet (voldoende) in. Volgens meldingen van de politie heeft er eind vorig jaar nog een aantal incidenten plaatsgevonden. Weliswaar worden deze incidenten door de moeder ontkend, maar de meldingen hebben er wel toe geleid dat de netwerkscreening van grootouders moederszijde is stopgezet. Hierdoor is de situatie feitelijk nog zorgelijker geworden.
Volgens de moeder heeft er een psychologisch onderzoek plaatsgevonden. Hiervan zijn echter geen stukken in het geding gebracht waardoor het hof niet bekend is met de uitkomst van dit onderzoek. Evenmin is duidelijk of en zo ja welke hulpverlening ingezet moet gaan worden. De moeder zou sinds twee maanden geen drugs meer gebruiken. Ook heeft de moeder de relatie met [naam] naar eigen zeggen vorige week beëindigd en zijn de trouwplannen van de baan. Echter enkel omdat dit van de GI moet; niet vanuit haar intrinsieke motivatie. De vraag is ook of de moeder daadwerkelijk de relatie met [naam] heeft beëindigd. Het hof is van oordeel dat de situatie rond de moeder thans nog onvoldoende bestendig is. Daarmee is gegeven dat er van thuisplaatsing nog geen sprake kan zijn, de noodzaak tot uithuisplaatsing is nog altijd aanwezig.
3.9.5.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat in dit geval het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro, mag worden ingeperkt nu de zwaarwegende omstandigheden dit rechtvaardigen. De uithuisplaatsing, als zijnde een inbreuk op het recht op gezinsleven, dient immers een geoorloofd doel, namelijk de bescherming van de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [minderjarige] .
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 oktober 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en A.M. van Riemsdijk en is op 27 februari 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.A.R.M. van Leuven in tegenwoordigheid van de griffier.