Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, welke sinds augustus 2019 uit huis is geplaatst op grond van veiligheidszorgen.
De moeder betwist de gronden voor de uithuisplaatsing en stelt dat er geen sprake is van een veiligheidsprobleem of bedreiging van de belangen van het kind. Zij geeft aan samen te willen werken met hulpverlening en heeft haar relatie met een partner beëindigd. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling stellen echter dat er nog steeds sprake is van huiselijk geweld en instabiliteit, en dat de veiligheid van het kind in de thuissituatie niet gegarandeerd is.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de uithuisplaatsing zijn vervuld. Ondanks de ontkenningen van de moeder zijn er meldingen van incidenten en is de situatie feitelijk zorgelijker geworden. Het hof acht de situatie bij de moeder onvoldoende stabiel en concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft ter bescherming van het kind.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die de machtiging tot uithuisplaatsing verlengt tot uiterlijk 30 april 2020 en wijst het beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige tot uiterlijk 30 april 2020.