In hoger beroep is de verdachte verdacht van het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het opzettelijk bereiden, bewerken en verwerken van amfetamine. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie gingen in hoger beroep, maar het OM trok het hoger beroep in.
Tijdens het onderzoek werd DNA van de verdachte aangetroffen op een masker dat was gevonden op een productieplaats voor amfetamine. Daarnaast werden DNA-mengprofielen op latex handschoenen gevonden waarbij de verdachte niet kon worden uitgesloten als donor. Desondanks oordeelde het hof dat deze aanwijzingen onvoldoende zijn om vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk op de productieplaats aanwezig was geweest.
Het hof concludeerde dat er geen andere aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit aanwezig zijn. De verklaring van de verdachte over het aantreffen van zijn DNA werd als niet erg waarschijnlijk beoordeeld, maar dit veranderde niets aan het gebrek aan bewijs. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde.