ECLI:NL:GHSHE:2020:998
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing bewind wegens onvoldoende verbetering financiële zelfredzaamheid
De zaak betreft een hoger beroep van de rechthebbende tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het verzoek tot opheffing van het bewind over haar goederen heeft afgewezen. Het bewind was in 2013 ingesteld vanwege psychische problematiek en schulden.
De rechthebbende voert aan dat zij door tijdsverloop en hulp van een stichting beter in staat is haar financiële belangen te behartigen en dat het bewind daarom opgeheven moet worden. Zij woont tijdelijk in een ‘blijf van mijn lijf’-huis en overweegt te verhuizen naar een andere provincie, wat ook een reden zou zijn voor opheffing of wijziging van het bewind.
Het hof constateert dat de bewindvoerder geen verweer heeft gevoerd en niet is verschenen bij de mondelinge behandeling, waardoor het standpunt en actuele financiële situatie van de bewindvoerder onbekend zijn. Desondanks blijkt uit het dossier dat de bewindvoerder haar taken adequaat heeft uitgevoerd en dat de financiële situatie van de rechthebbende op orde is, met afgeloste schulden en spaargeld.
Het hof oordeelt dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat zij weer zelfstandig haar financiën kan beheren. Zij verkeert nog in een instabiele situatie, ontvangt een bijstandsuitkering, heeft geen sociaal netwerk en verblijft tijdelijk in een beschermde woonomgeving. De verhuisplannen zijn onduidelijk en de hulpverlening biedt onvoldoende waarborgen. Daarom is het bewind nog steeds noodzakelijk om schulden te voorkomen.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind wegens onvoldoende verbetering van de financiële zelfredzaamheid van de rechthebbende.