Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de Stichting] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7078635 / 18-2517)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi, waarbij van de zijde van [de Stichting] en [appellant] pleitaantekeningen zijn overgelegd.
3.De beoordeling
“Er is een onderzoek in de woonruimte uitgevoerd”.
“Er is een onderzoek in de woonruimte uitgevoerd”. Niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] toen moest veronderstellen dat niet ‘zijn’ woning (nummer [huisnummer 1] ) maar nummer [huisnummer 2] was onderzocht. Aangezien het appartement inmiddels niet meer was bewoond, lag het voor de hand dat [geïntimeerde] concludeerde dat de sleutel door de locatiemanager was verstrekt, want op welke andere manier zou de huurcommissie de woning hebben kunnen betreden/onderzoeken? Gelet op deze omstandigheden had [geïntimeerde] geen aanleiding eerst nader onderzoek te doen naar de feiten, alvorens de brief te schrijven. Voorts valt niet in te zien waarom het achterwege laten van dit nader onderzoek als onrechtmatig handelen of nalaten jegens [de Stichting] en [appellant] zou moeten worden aangemerkt. Het incident met de hark maakt niet dat [geïntimeerde] extra onderzoek moest doen voordat hij de brief schreef. Dat incident had ruim tweeënhalf jaar eerder plaatsgevonden en hield geen verband met het onderzoek van de huurcommissie.
“Op 5 januari 2018 heeft u (huurcommissie) en de gemachtigde [appellant] zich toegang verschaft in het appartement zonder toestemming van ons die eigenaar zijn van dit appartement.”Gelet op hetgeen verder in de brief is vermeld, en op het feit dat de brief is gestuurd aan de huurcommissie, is het hof van oordeel dat het gaat om een uitlating over en jegens de huurcommissie, dat de brief niet grievend is voor [appellant] en dat niet voldoende is onderbouwd dat [appellant] door de brief in zijn persoon is aangetast. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel of een ernstige inbreuk op zijn integriteit. Evenmin heeft [appellant] voldoende onderbouwd dat hij in zijn eer of goede naam is aangetast. Onvoldoende is gesteld of gebleken welke gevolgen de brief voor [appellant] heeft gehad. Aangezien alle vorderingen zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat sprake is van een onrechtmatige uitlating, zal het hof de vorderingen afwijzen. Bij deze stand van zaken kunnen de grieven verder onbesproken blijven.