Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 april 2021 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 september 2020 bekrachtigd, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen is verlengd. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen deze verlenging, stellende dat de uithuisplaatsing voor de langere termijn onterecht was en dat zij behoefte had aan opvoedondersteuning om terugplaatsing mogelijk te maken.
De kinderen waren aanvankelijk onder toezicht gesteld en tijdelijk uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling. Ondanks hulpverlening en veiligheidsplannen was de situatie bij de moeder onvoldoende verbeterd. De kinderen verbleven sinds oktober 2020 in een pleeggezin waar zij een duidelijke groei doormaakten.
De moeder erkende haar tekortkomingen en haar behoefte aan hulp, maar had onvoldoende stappen gezet richting passende hulpverlening. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden verlenging van de uithuisplaatsing vanwege blijvende risico's en het ontbreken van zicht op verbetering.
Het hof oordeelde dat de wettelijke gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat het belang van de kinderen voorop staat. De beschikking van de rechtbank werd daarom bekrachtigd, waarmee de uithuisplaatsing tot uiterlijk 10 juni 2021 werd verlengd.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is bekrachtigd tot uiterlijk 10 juni 2021.