ECLI:NL:GHSHE:2021:1054

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
8 april 2021
Zaaknummer
200.279.799_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:450 lid 1 BWArt. 1:462 lid 1 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na overlijden betrokkene in mentorschapszaak

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een mentorschap werd ingesteld voor de betrokkene en een mentor werd benoemd. Appellanten, waaronder de partner en zoon van de betrokkene, waren het niet eens met deze beslissing en gingen in hoger beroep.

Tijdens de procedure overleed de betrokkene aan corona. Appellanten stelden dat zij ontvankelijk moesten worden verklaard in hun beroep en voerden aan dat de mentor aansprakelijk was voor het overlijden omdat hij de betrokkene niet naar het ziekenhuis had gebracht. Verweerster betoogde dat appellanten niet-ontvankelijk moesten worden verklaard vanwege termijnoverschrijding en het ontbreken van belang nu het mentorschap door overlijden was geëindigd.

Het hof overwoog dat het mentorschap krachtens de wet eindigt door het overlijden van de betrokkene en dat voor het hoger beroep een voldoende concreet belang vereist is. Het hof vond dat appellanten dit belang onvoldoende hadden onderbouwd. De aansprakelijkstelling van de mentor was niet toereikend om het belang aan te tonen. Ook de dochter van de betrokkene, die het beroep voortzette als erfgenaam, werd niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof besloot appellanten en de dochter van de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, waarmee het hoger beroep feitelijk werd afgewezen.

Uitkomst: Appellanten en de dochter van de betrokkene worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens het ontbreken van een concreet belang na overlijden van de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 8 april 2021
Zaaknummer: 200.279.799/01
Zaaknummer eerste aanleg: 8112613 MS VERZ 19-1020
in de zaak in hoger beroep van:
[de betrokkene] , [de partner van de betrokkene] en [de zoon van de betrokkene],
allen woonplaats kiezend ten kantore van hun advocaat te [kantoorplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna respectievelijk te noemen: de betrokkene, de partner van de betrokkene en de zoon van de betrokkene, dan wel tezamen: appellanten,
de betrokkene is inmiddels overleden,
advocaat: mr. R.G.P. Voragen,
tegen
Stichting [stichting],
kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. F.H. Kuiper.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • [de dochter van de betrokkene] , de dochter van de betrokkene;
  • [andere zoon van de betrokkene] , andere zoon van de betrokkene;
  • [de mentor] B.V. , de mentor van de betrokkene.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 november 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 15 juni 2020, hebben appellanten verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2020, heeft [verweerster] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering van de rechtsgronden.
2.3.
Bij faxbericht van 15 februari 2021 is de dochter van betrokkene in beroep gekomen tegen de bestreden beschikking.
2.4.
De zaak is – met instemming van partijen – zonder mondelinge behandeling op de stukken afgedaan.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 november 2019;
  • het V-formulier met bijlagen van de advocaat van appellanten, ingekomen ter griffie op 21 juli 2020;
  • het V-formulier van de advocaat van [verweerster] d.d. 29 januari 2021;
  • het V-formulier met bijlage van de advocaat van appellanten, d.d. 29 januari 2021;
  • het V-formulier met brief van de advocaat van [verweerster] d.d. 24 februari 2021.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank, conform het inleidende verzoek van [verweerster] , met ingang van 1 december 2019 een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene en [de mentor] B.V. tot mentor benoemd.
3.2.
Appellanten kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of appellanten kunnen worden ontvangen in hun verzoek in hoger beroep.
3.4.
Bij faxbericht van 15 februari 2021 hebben appellanten te kennen gegeven dat betrokkene recentelijk is overleden aan corona.
3.5.
Bij ditzelfde faxbericht hebben appellanten gesteld ontvankelijk te zijn. De termijnoverschrijding voor het instellen van hoger beroep is verschoonbaar. Dit geldt ook voor het hoger beroep van de dochter van de betrokkene. Appellanten merken voorts op dat zij de mentor aansprakelijk achten voor het overlijden van betrokkene, omdat hij niet meer naar het ziekenhuis is gebracht, terwijl de mentor dit wel had toegezegd.
3.6.
In de bij V-formulier van 24 februari 2021 overgelegde brief heeft [verweerster] naar voren gebracht dat appellanten en de dochter van betrokkene niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Volgens [verweerster] is de termijnoverschrijding voor het instellen van hoger beroep niet verschoonbaar. Daarbij vraagt [verweerster] zich af in hoeverre er nog belang is bij het hoger beroep nu de betrokkene inmiddels is overleden.
3.7.
Het hof overweegt als volgt.
3.8.
Ingevolge artikel 1:450 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.
Ingevolge artikel 1:462 lid 1 BW Pro eindigt het mentorschap onder meer door de dood van de betrokkene.
3.9.
Betrokkene is overleden (op welke datum is het hof niet bekend). Zijn verzoek behoeft geen behandeling meer.
Nu het mentorschap, door het overlijden van betrokkene, van rechtswege is geëindigd, doet de vraag zich voor welk belang de partner en de zoon van betrokkene nog hebben bij beoordeling van hun hoger beroep. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:303 BW Pro dient er een voldoende concreet belang te zijn bij de beoordeling in hoger beroep van de bestreden beschikking. Het belang moet voldoende zijn om de rechtsvordering die wordt ingesteld te rechtvaardigen. Het hof overweegt dat de partner en de zoon van betrokkene, nog daargelaten de vraag of de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is, dit belang onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Dat zij de mentor aansprakelijk achten voor de dood van betrokkene, is niet toereikend. Een uitspraak over de vraag of de gronden voor mentorschap ten tijde van het nemen van de beslissing aanwezig waren, zal immers geen rechtsgevolg hebben dat relevant is voor het door hen gewenste oordeel omtrent de rechtmatigheid van het handelen van de mentor. Het hof zal hen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek in hoger beroep.
Voor zover het hof uit het faxbericht van 15 februari 2021 moet afleiden dat de dochter van betrokkene als erfgenaam van betrokkene de procedure in hoger beroep namens hem wil voortzetten na zijn overlijden, overweegt het hof dat zij, evenals de partner en de zoon van betrokkene en op dezelfde grond, niet-ontvankelijk is in het verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart appellanten en de dochter van betrokkene niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.