In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een mentorschap werd ingesteld voor de betrokkene en een mentor werd benoemd. Appellanten, waaronder de partner en zoon van de betrokkene, waren het niet eens met deze beslissing en gingen in hoger beroep.
Tijdens de procedure overleed de betrokkene aan corona. Appellanten stelden dat zij ontvankelijk moesten worden verklaard in hun beroep en voerden aan dat de mentor aansprakelijk was voor het overlijden omdat hij de betrokkene niet naar het ziekenhuis had gebracht. Verweerster betoogde dat appellanten niet-ontvankelijk moesten worden verklaard vanwege termijnoverschrijding en het ontbreken van belang nu het mentorschap door overlijden was geëindigd.
Het hof overwoog dat het mentorschap krachtens de wet eindigt door het overlijden van de betrokkene en dat voor het hoger beroep een voldoende concreet belang vereist is. Het hof vond dat appellanten dit belang onvoldoende hadden onderbouwd. De aansprakelijkstelling van de mentor was niet toereikend om het belang aan te tonen. Ook de dochter van de betrokkene, die het beroep voortzette als erfgenaam, werd niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof besloot appellanten en de dochter van de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, waarmee het hoger beroep feitelijk werd afgewezen.