ECLI:NL:GHSHE:2021:1106

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
200.279.571_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing partneralimentatie en proceskostenveroordeling in hoger beroep

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 15 april 2021 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek tot partneralimentatie. De vrouw was in eerste aanleg afgewezen omdat de man geen draagkracht heeft, aangezien hij een bijstandsuitkering ontvangt. De vrouw kwam in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar verzoek tot een bijdrage in haar levensonderhoud.

Tijdens de mondelinge behandeling verscheen de vrouw niet, maar haar advocaat was wel aanwezig. Het hof stelde vast dat de vrouw niet betwist dat de man geen draagkracht heeft en dat haar grief alleen ziet op haar behoefte. Omdat zonder draagkracht geen alimentatie kan worden toegewezen, werd het hoger beroep afgewezen.

Daarnaast heeft het hof de vrouw veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, omdat zij de procedure nodeloos heeft voortgezet terwijl duidelijk was dat de man geen draagkracht heeft. De proceskosten werden vastgesteld op € 2.560,-, bestaande uit griffierecht en advocaatkosten. De beschikking van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot partneralimentatie en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.279.571/01
zaaknummer rechtbank : C/02/359039 FA RK 19-2716
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2021
inzake
[de vrouw],
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A. Sangar te Rotterdam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is op 15 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 april 2020.
2.2.
De man heeft op 11 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het procesdossier uit eerste aanleg van de advocaat van de vrouw, ingekomen bij het hof op 15 juni 2020;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 8 juli 2020, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V6-formulier van de advocaat van de man van 22 januari 2021, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- de brief van de advocaat van de vrouw van 26 februari 2021, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V6-formulier van de advocaat van de man van 1 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V6-formulier van de advocaat van de man van 8 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
- het V8-formulier van de advocaat van de vrouw van 8 maart 2021, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 11 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de advocaat van de vrouw;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2.4.1.
De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken van het tussen de vrouw en de man op 11 november 2010 in Afghanistan met elkaar gesloten huwelijk. De echtscheiding is op 23 april 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.
3.3.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in deze procedure van belang, het verzoek van de vrouw om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 500,- per maand met ingang van de datum van de beschikking, afgewezen.
4.2.
De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw zal voldoen een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van € 500,- per maand, zulks bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift echtscheiding bij de rechtbank, dan wel een bedrag en ingangsdatum in goede justitie te bepalen. Kosten rechtens.
4.2.1.
De grief van de vrouw ziet op de behoefte van de vrouw.
4.3.
De man heeft verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Het hof stelt vast dat – conform de overwegingen van de rechtbank – de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bedrag aan partneralimentatie. Tevens is het Nederlands recht van toepassing, nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
5.2.
De vrouw voert met haar (eerste en enige) grief aan dat zij behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud, omdat de vrouw een inkomen heeft op bijstandsniveau. Aangezien de inkomensgegevens van de kant van de man ontbreken kan de vrouw haar behoefte niet nader becijferen.
5.3.
De man betoogt dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar hoger beroep en voert voor het overige gemotiveerd verweer.
5.4.
Het hof overweegt, ook indien veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep, als volgt.
5.4.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen, omdat de man een bijstandsuitkering ontvangt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie is door de rechtbank op grond hiervan afgewezen. Geheel ten overvloede heeft de rechtbank daarna enkele overwegingen gewijd aan de behoefte van de vrouw. Deze overwegingen hebben evenwel niet ten grondslag gelegen aan de bestreden beschikking.
Het hof stelt vast dat de vrouw, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk is bevestigd, niet opkomt of beoogt op te komen tegen de overwegingen en de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man. Zij kan zich alleen niet vinden in de overwegingen ten overvloede die zien op haar behoefte.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bevestigd dat de man ten tijde van de bestreden beschikking en ook op dit moment nog steeds geen draagkracht heeft en daarom het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot een onderhoudsbijdrage niet kan worden toegewezen. Gelet hierop behoeft hetgeen de vrouw heeft aangevoerd met betrekking tot haar behoefte, nog daargelaten de juistheid daarvan, geen bespreking meer.
Reeds op grond van het voorgaande dient het verzoek van de vrouw in hoger beroep te worden afgewezen.
Proceskosten
5.4.2.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten, omdat de vrouw de procedure in hoger beroep nodeloos is begonnen. De proceshouding van de vrouw, het verloop van de mondelinge behandeling bij het hof en het feit dat de man erg tegen de mondelinge behandeling bij het hof heeft opgezien en deze voor hem zeer belastend is, maken dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de proceskosten.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
5.4.3.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 289 Rv Pro een proceskostenveroordeling kan worden opgelegd bij de eindbeschikking. Het staat de rechter vrij ook ambtshalve hiertoe over te gaan. In een familiezaak is het gebruikelijk dat proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het hof ziet in deze zaak echter aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, omdat de vrouw de proceskosten in hoger beroep nodeloos heeft veroorzaakt. Zij is immers niet opgekomen tegen de overwegingen van de rechtbank dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling is daaraan toegevoegd dat in zoverre ook geen ander dictum is beoogd. De vrouw wenste alleen op te komen tegen een overweging ten overvloede, welke overweging echter, ook indien de grief al zou slagen hetgeen geenszins vaststaat, nimmer tot toewijzing van haar verzoek zou kunnen leiden omdat er immers geen draagkracht is. Dit was haar, althans haar advocaat duidelijk, zo is tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld. Daarbij wordt bovendien nog in aanmerking genomen dat de man en de vrouw in eerste aanleg al zijn overeengekomen dat de man geen draagkracht heeft en de vrouw vervolgens (samen met haar advocaat) een akte van berusting heeft getekend, zonder het voorbehoud dat de berusting in de bestreden beschikking alleen de echtscheiding betreft. Onder die omstandigheden kan niet anders worden geoordeeld dan dat de vrouw door deze proceshouding voor de man onnodig en ongegrond kosten heeft veroorzaakt. Het hof zal daarom in dit geval over gaan tot een proceskostenveroordeling aan de zijde van de vrouw.
5.4.4.
Het hof zal voor de begroting van de proceskosten aansluiten bij het toepasselijke liquidatietarief. Het hof gaat daarbij uit van tarief II in hoger beroep (echtscheidingsprocedures) van € 1.114,- per punt. Het hof stelt de kosten in hoger beroep vast op € 1.114,- x 2 (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling) = € 2.228,-, te vermeerderen met het door de man betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 332,-. De totale proceskosten aan de kant van de man bedragen: € 2.560,-.
5.5.
Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De vrouw zal worden veroordeeld in de proceskosten, zoals hiervoor overwogen.

6.De slotsom

in het hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.2.
Het hof ziet aanleiding de vrouw in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 april 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de kant van de man, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 332,- voor griffierecht en op € 2.228,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D. Dumoulin, C.N.M. Antens en A.M. Bossink en is op 15 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.