AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging veroordeling voor aanmerkelijke schuld bij verkeersongeval met zwaar letsel
In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd waarin verdachte is veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof oordeelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijke schuld door voor een onoverzichtelijke bocht in te halen en daarbij aanzienlijk harder te rijden dan toegestaan, wat heeft geleid tot een aanrijding met een voetganger die zwaar lichamelijk letsel opliep.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende objectief bewijs bestond voor de snelheid en het rijden op de verkeerde weghelft, en dat alleen de inhaalmanoeuvre onvoldoende schuld oplevert. Het hof verwierp deze verweren en baseerde zich op verklaringen van verdachte, slachtoffer en getuige, die allen bevestigen dat verdachte aanzienlijk harder reed dan de toegestane 50 km/u en op de verkeerde rijbaan reed.
Het hof concludeert dat de gedragingen van verdachte aanmerkelijke schuld opleveren in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994. De veroordeling tot een taakstraf en rijontzegging wordt bevestigd. De uitspraak is gedaan door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren, op 6 april 2021.
Uitkomst: Bevestiging veroordeling verdachte voor aanmerkelijke schuld bij verkeersongeval met taakstraf en rijontzegging.
Uitspraak
Parketnummer : 20-003532-19
Uitspraak : 6 april 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-006818-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte wegens overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht (het primaire tenlastegelegde), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde (overtreding van artikel 5 WegenverkeerswetPro 1994) gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat voor wat betreft het primair tenlastegelegde feit zal worden aangesloten bij de lichtste schuldvariant ‘aanmerkelijke schuld’. Daarnaast heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop het berust. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen.
Nadere bewijsoverweging en aanvullend bewijsmiddel
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 en bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Daartoe is door de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende objectief bewijs is dat de verdachte te hard heeft gereden, enerzijds omdat het slachtoffer en de getuige niet deskundig zijn om de door de verdachte gereden snelheid vast te stellen en anderzijds omdat er geen verkeersongevallenanalyse is opgemaakt waaruit de gereden snelheid kan blijken. Volgens de verdediging geldt tevens voor het rijden op de verkeerde weghelft dat hiervoor onvoldoende bewijs is. Naar de mening van de verdediging resteert enkel de door de verdachte gepleegde inhaalmanoeuvre voor een onoverzichtelijke bocht en is dit onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994, aldus de raadsman van de verdachte.
Het hof overweegt daartoe in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank als volgt.
Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 5 augustus 2018 te Roosendaal als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig heeft gedragen dat hierdoor een aanrijding heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] , waarbij deze zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dat hij:
voor een onoverzichtelijke bocht is gaan inhalen;
bij het inhalen heeft versneld en harder heeft gereden dan de toegestane snelheid, namelijk 65 kilometer per uur, waarbij hij op de linker weghelft heeft gereden;
[slachtoffer] de weg zag oversteken en hiervan schrok;
naar rechts heeft gestuurd om [slachtoffer] niet te raken;
vervolgens toch [slachtoffer] raakte met de buitenspiegel.
Het hof stelt vast dat de verdachte ook volgens zijn eigen verklaring harder reed dan de toegestane snelheid, waarbij de verdachte het voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Het hof gaat hierbij onder meer uit van de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaringen van het slachtoffer en de [getuige] . [getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte heel hard reed, zo hard dat hij in de bocht niet meer op zijn eigen weghelft kon blijven. Ook het [slachtoffer] verklaart dat verdachte heel hard reed en door die snelheid moeite had om op zijn eigen weghelft terug te kregen. Hij verklaart dat verdachte meer dan 100 km per uur reed. Het verweer dat ten aanzien van de vaststelling van de door de verdachte gereden snelheid, de getuigen niet deskundig zijn en dat er geen verkeersongevallenanalyse is opgemaakt waaruit de gereden snelheid blijkt, schuift het hof terzijde. Op basis van de hierboven genoemde drie verklaringen gaat het hof ervan uit dat verdachte aanzienlijk beduidend harder heeft gereden dan de toegestane snelheid van 50 km/uur.
[slachtoffer] en de [getuige] hebben verklaard dat de verdachte op de verkeerde rijbaan reed. Ook de verdachte verklaart zelf dat hij voor een onoverzichtelijke is gaan inhalen en in verband hiermee heeft gereden op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijbaan. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] en bezigt deze voor het bewijs.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte voor een onoverzichtelijke bocht een andere weggebruiker heeft ingehaald, waarbij hij op de tegengestelde rijbaan heeft gereden en door de ter plaatse aanwezige bocht in de weg geen zicht heeft gehad op eventuele andere verkeersdeelnemers. Daarbij heeft de verdachte de daarbij toegestane maximum snelheid aanzienlijk overschreden. Hierbij is de verdachte verrast door de overstekende voetganger ( [slachtoffer] ) en zijn hond, waarna hij heeft getracht terug te komen op de (voor de verdachte) rechter rijbaan. Desondanks is hij in aanrijding gekomen met [slachtoffer] en zijn hond.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het voorgaande aanmerkelijke schuld oplevert in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994.
Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. V.A. Batelaan, griffier,
en op 6 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.