ECLI:NL:GHSHE:2021:1160

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 maart 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
20-003633-18
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs met strafmatiging

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken voor het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld.

Het hof bevestigt het tenlastegelegde en het feit dat verdachte op de hoogte was van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Gezien het eerdere soortgelijke strafbare feit van verdachte en de ernst van het delict acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Een taakstraf of voorwaardelijke straf worden afgewezen.

De redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep is met ruim vier maanden overschreden. Het hof matigt daarom de straf van 3 weken naar 18 dagen gevangenisstraf. Het vonnis wordt in zoverre vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs met strafmatiging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003633-18
Uitspraak : 24 maart 2021
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 24 oktober 2018 in de strafzaak met parketnummer 96-145096-18 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij verstekvonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van – kort gezegd – ‘rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 dagen.
Namens verdachte is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de bewijsoverweging en de opgelegde straf en de strafmotivering.
Overweging ten aanzien van het bewijs
Nu verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal het hof volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
navolgende bewijsmiddelen:
  • het proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW Pro, Landelijke Eenheid, proces-verbaalnummer 23072018 1012 121836, op ambtseed opgemaakt door [verbalisanten], pagina’s 2-4;
  • een bij voornoemd proces-verbaal gevoegde uitdraai uit het register NL-RDW, pagina 5;
  • een printscreen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) betreffende verdachte;
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte was hiervan op de hoogte. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de hier te lande geldende verkeersvoorschriften. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2021, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld. Nog daargelaten dat het taakstrafverbod van toepassing is, kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat verdachte op 26 april 2018, derhalve enkele maanden voor het onderhavige feit, onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit, naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Het hof acht een gevangenisstraf van 3 weken passend en geboden. Oplegging van een taakstraf en een (deels) voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman is bepleit, doet geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in hetgeen namens de verdachte is aangevoerd aangaande (onder meer) de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte zal hebben, geen aanleiding om van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te zien.
Alles afwegende acht het hof, zoals hiervoor is overwogen, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn in deze zaak het volgende.
Namens verdachte is tegen het bestreden vonnis op 15 november 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst bij arrest van heden – 24 maart 2021 – einduitspraak. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren. Aldus is de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep met ruim vier maanden overschreden. Het hof ziet geen omstandigheden die dit tijdsverloop rechtvaardigen.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 dagen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) dagen;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 24 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen