In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 24 kilogram cocaïne. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, maar zowel verdachte als het Openbaar Ministerie gingen in hoger beroep.
Het hof heeft het bewijs grondig onderzocht, waaronder verklaringen van Spaanse undercoveragenten, processen-verbaal van verhoren bij de rechter-commissaris en het NFI-rapport over de aangetroffen cocaïne. De kernvraag was of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en of sprake was van gezamenlijke machtsuitoefening.
Het hof concludeert dat het niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wetenschap had van de cocaïne in de sporttas en dat de enkele aanwezigheid in de ruimte en het niet distantiëren daarvan onvoldoende is voor medeplegen. Ook het verzoek tot heropening van het onderzoek om aanvullende getuigenverklaringen te horen werd afgewezen wegens ontbreken van belang.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens wordt de inbeslaggenomen personenauto aan verdachte teruggegeven.