De schuldenaar werd bij vonnis van 1 februari 2019 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank beëindigde deze regeling tussentijds op verzoek van de bewindvoerder wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden.
De schuldenaar erkende de boedelachterstand en nieuwe schulden, gaf aan haar financiële situatie gestabiliseerd te hebben en stelde een betalingsregeling te hebben getroffen. Zij vroeg om verlenging van de regeling en stelde dat zij met professionele ondersteuning haar verplichtingen alsnog zou kunnen nakomen.
De bewindvoerder betwijfelde dit vanwege onvoldoende informatieverstrekking en oplopende achterstanden. Het hof oordeelde dat de schuldenaar structureel tekort is geschoten, maar gaf haar het voordeel van de twijfel vanwege het verzoek tot beschermingsbewind en de grote gevolgen van beëindiging.
Het hof besloot de zaak vijf maanden aan te houden om een plan van aanpak op te stellen en te beoordelen of de schuldenaar met bewindvoering de achterstanden kan inlopen binnen een maximaal verlengde regeling. De tussentijdse beëindiging werd vernietigd en verdere beslissingen aangehouden.