ECLI:NL:GHSHE:2021:119

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
21 januari 2021
Zaaknummer
200.274.320_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 BWArt. 1:432 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging van bewind wegens onvoldoende herstel financiële zelfredzaamheid

De rechthebbende heeft in hoger beroep verzocht om het bewind over haar vermogen te beëindigen, ingesteld in 2012 wegens psychische problematiek. Zij stelt dat haar situatie is verbeterd en dat zij zelfstandig haar financiële zaken kan regelen.

De bewindvoerder betoogt dat de psychische klachten blijven bestaan en dat de rechthebbende regelmatig zonder overleg financiële verplichtingen aangaat, wat leidt tot nieuwe schulden. Het hof overweegt dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzaak van het bewind is komen te vervallen.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank Limburg die het verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen. Het bewind blijft noodzakelijk om te voorkomen dat de rechthebbende opnieuw in financiële problemen komt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot beëindiging van het bewind af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 21 januari 2021
Zaaknummer: 200.274.320/01
Zaaknummer eerste aanleg: 8003197 BM VERZ 19-533
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. K.E.J. Dohmen,
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
-
[Bewindvoering] Bewindvoering, handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende,
adreshoudende te [postcode] [plaats] , Postbus [Postbus] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
-
[de zoon], wonende te [woonplaats] , de zoon van de rechthebbende (hierna te noemen: de zoon).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2020, heeft de rechthebbende het hof verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder verbetering en aanvulling van de gronden, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat per direct tot beëindiging van het bewind wordt overgegaan.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2020.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende, bijgestaan door mr. Dohmen;
  • [bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 6 mei 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 21 augustus 2012 heeft de kantonrechter te Venlo over de goederen die de appellante als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van [bewindvoerder] , vennoot van [Bewindvoering] Bewindvoering te [plaats] , tot bewindvoerder.
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het verzoek van de bewindvoerder om het ten behoeve van de rechthebbende ingestelde bewind en de benoeming van de bewindvoerder in te schrijven in het Centraal Curatele- en bewindregister toegewezen en het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen afgewezen.
3.3.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten nader te beschrijven welke concrete omstandigheden aannemelijk maken dat de oorzaken die in 2012 tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, nog steeds bestaan.
In 2012 was zij wegens psychische problematiek niet in staat ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Nu kan zij echter beter met haar klachten omgaan. Ook beschikt zij thans over zelfstandige woonruimte.
De rechthebbende wil graag weer zelf haar financiële zaken regelen. Daarbij komt dat zij het bewind als een last beschouwt en zij meent dat de bewindvoerder haar belangen niet optimaal behartigt.
3.5.
De bewindvoerder stelt dat de psychische klachten van de rechthebbende nog steeds bestaan, zij heeft geen zicht op haar financiën en geeft bij een huisbezoek of ander contact aan dat zij er niet goed van wordt of ziek ervan is.
De rechthebbende regelt zelf bepaalde zaken, maar dit verloopt niet altijd goed. Zo sluit zij, zonder overleg, nieuwe abonnementen af of wijzigt bestaande abonnementen in duurdere. Onlangs is er door de aankoop van rolluiken een nieuwe schuld ontstaan. Deze aankoop heeft zij zonder overleg met de bewindvoerder gedaan en bovendien heeft zij aan de leverancier niet gemeld dat zij onder bewind staat.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
3.6.2.
Het hof is van oordeel dat aan de grond voor opheffing van het bewind niet is voldaan.
3.6.3.
Het is aan de rechthebbende die om opheffing van het bewind vraagt om te onderbouwen dat zij weer in staat is haar financiën zelf te beheren. Het hof is van oordeel dat de rechthebbende dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan.
In de eerste plaats is het duidelijk dat de rechthebbende, hoewel haar geestelijke gezondheidstoestand momenteel stabiel lijkt, nog veel last heeft van traumatische gebeurtenissen uit het verleden die mede aanleiding gaven tot het bewind. Ook is gebleken dat hoewel zij enerzijds aangeeft dat zij veel last ervaart van het bewind en zij stelt zelfstandig in staat te zijn om haar financiën te beheren, zij anderzijds regelmatig bij de bewindvoerder aangeeft dat zij er ziek van wordt en overstuur is.
Daarnaast is gebleken dat de rechthebbende onder meer abonnementen wijzigt en contracten afsluit zonder overleg met de bewindvoerder. De bewindvoerder dient dit dan achteraf weer recht te zetten of ongedaan te maken. Bovendien heeft de rechthebbende door de aanschaf van rolluiken een nieuwe schuld veroorzaakt. Onduidelijk is gebleven waarom zij deze aankoop niet in overleg met de bewindvoerder heeft gedaan.
Het hof concludeert derhalve dat er door de rechthebbende onvoldoende is gesteld en aangetoond op grond waarvan kan worden aangenomen dat zij weer in staat is om haar eigen vermogen te beheren. Het bewind is op dit moment nog steeds noodzakelijk om te voorkomen dat er steeds weer schulden ontstaan.
3.7.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover het betrekking heeft op het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 november 2019, voor zover het betrekking heeft op het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.