De zaak betreft een hoger beroep van ouders tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin het verzoek tot omgang met hun minderjarige kind werd afgewezen. De minderjarige woont sinds 2014 bij pleegouders en is onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De ouders willen het contact herstellen, maar de GI en pleegouders wijzen dit af vanwege de lopende traumabehandeling.
De minderjarige heeft een ernstige voorgeschiedenis met mishandeling en verwaarlozing, en is kwetsbaar en verstandelijk beperkt. De behandelaar bij Basic Trust adviseert geen omgang tijdens de therapie, omdat dit de effectiviteit zou ondermijnen. De minderjarige heeft sinds 2018 geen contact met de ouders.
Het hof oordeelt dat het belang van de minderjarige prevaleert en bekrachtigt de eerdere beschikking. Het hof benadrukt dat de GI de ouders moet ondersteunen bij het verstrekken van informatie over de biologische vader, wat belangrijk is voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige. Het contact kan mogelijk na afronding van de therapie worden heroverwogen.