In deze zaak is het hoger beroep ingesteld door curandus tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin een verzoek werd afgewezen. Curandus, vertegenwoordigd door mr. Zomer, verzocht om vernietiging van de beschikking en om toezending van stukken met betrekking tot zijn curatele.
Het hof overwoog dat artikel 1:381, zesde lid, BW alleen procesbekwaamheid verleent aan curandus in concrete geschillen over de curatele zelf, zoals opheffing of conflicten over uitvoering. Het verzoek van curandus betrof echter toezicht op de curator en de kantonrechter, wat niet onder deze bepaling valt.
Omdat het verzoek niet kwalificeerbaar is als een zaak van curatele, is curandus handelingsonbekwaam en niet procesbekwaam zonder toestemming van curator of kantonrechter, welke ontbrak. Daarom verklaarde het hof curandus niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en vernietigde de bestreden beschikking.
De proceskosten werden in hoger beroep gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof oordeelde ook dat het verzoek tot toezending van stukken niet in strijd is met het EVRM en dat de curator de curandus jaarlijks informeert over de curatele.