ECLI:NL:GHSHE:2021:1371

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2021
Publicatiedatum
6 mei 2021
Zaaknummer
200.282.108_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging onderbewindstelling wegens geestelijke toestand en vermogensbescherming

In deze zaak is in eerste aanleg een bewind ingesteld over de goederen van verzoeker vanwege diens lichamelijke of geestelijke toestand. Verzoeker is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en betoogt dat hij niet voldoet aan de wettelijke gronden voor onderbewindstelling. Hij voert aan dat er geen actuele diagnose is en dat hij zijn financiële zaken zelf kan regelen met hulp van zijn begeleider en familie.

Het hof heeft het psychiatrisch rapport en de situatie van verzoeker zorgvuldig beoordeeld. Verzoeker is zwakbegaafd en woont in een begeleide woonvorm met ambulante ondersteuning. Hij heeft in het verleden schulden gemaakt en raakte in paniek, waardoor hij niet in staat was zijn financiële belangen goed te behartigen. De hulp van zijn begeleider en familie wordt als onvoldoende betrouwbaar en structureel beoordeeld.

Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor onderbewindstelling zijn vervuld en dat het bewind noodzakelijk en zinvol blijft. Er is geen bewijs dat verzoeker onder druk is gezet om het bewind aan te vragen. De grieven van verzoeker worden verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling en wijst het beroep van verzoeker af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 mei 2021
Zaaknummer: 200.282.108/01
Zaaknummer eerste aanleg: 8425069 OV VERZ 20-2564
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. O.P.N.M. Tennebroek.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
- [moeder] , de moeder van [verzoeker] ;
- [vader] , de vader van [verzoeker] ;
- [bewindvoerder] , de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 15 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2020, heeft [verzoeker] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te verklaren voor recht dat het bewind over hem met terugwerkende kracht niet tot stand is gekomen en dat de benoeming van de bewindvoerder met terugwerkende kracht niet heeft plaatsgevonden, subsidiair het bewind te beëindigen dan wel op te heffen zulks al dan niet ambtshalve onder ontslag van de bewindvoerder na afgifte van een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • [verzoeker] , bijgestaan door mr. Tennebroek;
  • de bewindvoerder;
  • de vader van [verzoeker] .
De moeder van [verzoeker] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de processtukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 3 september 2020;
  • de brief van de bewindvoerder met bijlagen van 7 oktober 2020;
  • de producties 1 tot en met 4, toegezonden door de advocaat van [verzoeker] en ingekomen ter griffie op 23 maart 2021.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, over de goederen die [verzoeker] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker] , met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder.
3.2.
[verzoeker] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.3.
[verzoeker] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling
- kort samengevat - het volgende aan.
Aan de wettelijke gronden voor het instellen van een bewind wordt niet voldaan. In het overgelegde psychiatrische rapport uit 2016 wordt geen diagnose gesteld. Ook overigens is er geen diagnostiek door een deskundige voorhanden. Evenmin is er bij [verzoeker] ooit een intelligentieonderzoek afgenomen. Een conversiestoornis, die wel wordt gerapporteerd, kan geen grond voor een onderbewindstelling opleveren.
De ouders van [verzoeker] en één van zijn broers zijn begin 2020 naar Turkije verhuisd. In die periode zijn er deels door het vertrek van de ouders schulden bij [verzoeker] ontstaan. Hij had toen geen overzicht over zijn schulden.
[verzoeker] wordt nog steeds begeleid door de Stichting [stichting] . Hij heeft jarenlang gekampt met angstklachten. [verzoeker] woont in een zelfstandige begeleide woonvorm.
[verzoeker] is onder druk gezet door zijn begeleiding om bewind aan te vragen. Hij wil nu van het bewind af. Het gaat goed met hem. [verzoeker] kan zijn financiële zaken zelf regelen. Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat [verzoeker] zich – anders dan op basis van de stukken verwacht werd – adequaat presenteert. [verzoeker] heeft een Wajong-uitkering. Hij verdient een klein bedrag bij als influencer, vlogger en rapper. Hij krijgt € 50,- per week aan leefgeld. [verzoeker] kan digitaal de hoogte van zijn saldo inzien.
Het contact tussen [verzoeker] en [begeleider] , de ambulant begeleider van de Stichting [stichting] , is goed. Zijn begeleider kan hem helpen met het regelen van zijn financiën. Ook de ouders, die regelmatig naar Nederland komen, en zijn twee broers die in de buurt wonen, kunnen een helpende hand bieden.
[verzoeker] is gestopt met online gokken. Dat deed hij overigens alleen in stressvolle periodes.
[verzoeker] gaat zich binnenkort verloven. Na het huwelijk gaat hij met zijn partner samenwonen in [plaats] . Er zal dan geen sprake meer zijn van begeleiding. Zijn partner gaat voor [verzoeker] zorgen.
3.4.
De bewindvoerder voert - kort samengevat - het volgende aan.
[verzoeker] kan door zijn psychische toestand (een verstandelijke beperking) niet zelfstandig zijn financiële zaken behartigen. Hij heeft begin 2020 schulden gemaakt en raakte daarover in paniek. [verzoeker] wilde zelf het bewind. De bewindvoerder heeft dat nog met zoveel woorden nagevraagd.
Het bewind is in mei 2020 opgestart. Het contact met [verzoeker] was goed. In augustus 2020 kreeg de bewindvoerder echter opeens boze emailberichten van [verzoeker] , waarin hij stelde
dat hij onder druk was gezet om bewind aan te vragen.
[verzoeker] woont inmiddels zelfstandig en hij heeft vaste lasten. Het is belangrijk dat zijn financiële huishouding op orde blijft.
Het bewind loopt goed. Er is een stabiel budget en [verzoeker] schulden worden gesaneerd.
[verzoeker] krijgt wekelijks een bedrag aan leefgeld. De bank stuurt hem maandelijks bankafschriften.
De prioriteit in het bewind ligt bij de betaling van de vaste lasten. Er blijft niet veel geld over aan het einde van de maand. Soms krijgt [verzoeker] extra geld voor noodzakelijke uitgaven, zoals reiskosten naar het ziekenhuis.
3.5.
De vader van [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [verzoeker] te weinig leefgeld krijgt. De vader van [verzoeker] en zijn in Nederland wonende broers stoppen hem regelmatig geld toe en kunnen hem helpen. Een onderbewindstelling is niet nodig.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.6.2.
Uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling is het hof voldoende gebleken dat [verzoeker] als gevolg van zijn geestelijke toestand ten tijde van de bestreden beschikking niet in staat was en thans niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
[verzoeker] is 31 jaar oud. Hij is onder behandeling geweest bij het FACT team van de [organisatie] , zo blijkt uit het psychiatrisch rapport uit 2016. De behandeling is in februari 2015 afgesloten, omdat [verzoeker] het contact met zijn behandelaars afhield. Volgens de psychiater van het FACT team was er sprake van zwakbegaafdheid.
[verzoeker] woont begeleid in een woonvoorziening van de Stichting [stichting] . Hij krijgt drie maal per week ambulante ondersteuning van [begeleider] . [verzoeker] heeft een indicatie volgens de Wet Langdurige Zorg, zo blijkt uit de door de Stichting [stichting] verschafte en tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van [verzoeker] bevestigde informatie.
Het hof ziet in [verzoeker] een kwetsbare man. Toen zijn ouders begin 2020 naar Turkije vertrokken, bleek hij niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Hij heeft in die periode schulden gemaakt, raakte in paniek en had geen overzicht meer over zijn geldzaken.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij met hulp van zijn ambulant ondersteuner van de Stichting [stichting] zijn financiële zaken wil gaan behartigen, maar het hof heeft hier onvoldoende vertrouwen in en acht dit te risicovol. Het hof vindt hierbij mede van belang wat zijn huidige begeleider [begeleider] hierover heeft geschreven. In zijn brief (productie 3 van 23 maart 2021) staat dat in het verleden is geprobeerd [verzoeker] met hulp van de Stichting [stichting] zelfstandig zijn geldzaken te laten beheren, maar dat dit niet goed is verlopen. Het geld was vaak al op, voordat er iets geregeld kon worden. Deze brief vermeldt verder dat [verzoeker] ook op dit moment niet altijd open staat voor de begeleiding die hem wordt aangeboden.
De verklaringen van de vader van [verzoeker] dat hij samen met de broers van [verzoeker] zijn zoon op financieel gebied wil helpen acht het hof onvoldoende om anders te oordelen
over de noodzaak van een onderbewindstelling van [verzoeker] . Bovendien verblijft de vader van [verzoeker] grotendeels in Turkije, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken, en is over de broers van [verzoeker] hoegenaamd niets bekend. Ook [verzoeker] plannen om te gaan trouwen en in [plaats] met zijn partner te gaan samenwonen zijn niet duidelijk; in ieder geval is de bewindvoerder daarover niets bekend. Dat er voor het overige sprake is van een sociaal netwerk dat [verzoeker] in voldoende mate kan ondersteunen, is niet gebleken.
Al het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat [verzoeker] bescherming nodig heeft op het vermogensrechtelijke vlak. Voor zover de advocaat van [verzoeker] heeft willen betogen dat voor onderbewindstelling steeds een actueel, onafhankelijk oordeel van een deskundige ter zake vereist is, gaat het hof aan dit betoog voorbij. Voor een onderbewindstelling is een verklaring van een (medisch) deskundige niet noodzakelijk. Evenmin is een vereiste dat een medische diagnose is gesteld. Op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling is voldoende komen vast te staan dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van de maatregel is voldaan. Verder is niet gebleken dat [verzoeker] onder ongeoorloofde druk is gezet om de onderbewindstelling aan te vragen.
Ten slotte is geen grond aanwezig om het bewind over [verzoeker] op te heffen dan wel te beëindigen zoals de advocaat van [verzoeker] subsidiair heeft verzocht. De bewindvoerder heeft verklaard – en dit blijkt ook uit de brief van [begeleider] – dat het bewind goed verloopt, dat de vaste lasten van [verzoeker] worden betaald en dat zijn schulden worden afgelost. Daarom is de noodzaak van het bewind nog steeds aanwezig en is het bewind nog zinvol.
3.7.
Nu uit het voorgaande volgt dat de grieven van [verzoeker] niet slagen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 15 mei 2020;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en E.P. de Beij en
is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.