De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar drie minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds november 2020 uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun verzorging en opvoeding. De moeder betwist de verlenging en stelt dat de uithuisplaatsing niet in het belang van de kinderen is, dat zij openstaat voor hulpverlening en dat de kinderen haar missen.
De gecertificeerde instelling (GI) betwist dat de moeder openstaat voor individuele hulpverlening en wijst op haar gebrek aan medewerking en wantrouwen jegens de vader. De vader benadrukt de noodzaak van duidelijkheid en een stabiele situatie voor de kinderen, evenals het belang van goed contact met beide ouders.
Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging zijn vervuld. Er bestaat een ernstig verstoorde opvoedsituatie en een fors loyaliteitsconflict, waardoor de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. De moeder werkt onvoldoende mee aan individuele hulpverlening, wat het herstel van de situatie belemmert. De machtiging wordt daarom bekrachtigd.