In deze zaak is appellant, voormalig bewindvoerder en mentor van de rechthebbende, in hoger beroep gekomen tegen zijn ontslag door de kantonrechter. Appellant betoogt dat hij uit oogpunt van bescherming heeft gehandeld en dat de benoeming van nieuwe bewindvoerder en mentor ongeschikt is. Hij stelt dat de kantonrechter onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn informatie en dat de procedure rondom de transitie van de rechthebbende niet zorgvuldig is gevolgd.
De rechthebbende en de nieuwe bewindvoerder en mentor voeren aan dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen appellant en de rechthebbende, die het functioneren van bewind en mentorschap belemmert. De rechthebbende voelt zich beter begrepen en gesteund door de nieuwe bewindvoerder en mentor, die bovendien dichterbij wonen en beter aansluiten bij zijn situatie.
Het hof oordeelt dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken tot bevestiging van zijn handelen en tot uitstel van vervanging, omdat deze niet op de wet zijn gebaseerd. Wel is appellant belanghebbende bij zijn ontslag. Het hof stelt vast dat er gewichtige redenen zijn voor het ontslag, namelijk de ernstige vertrouwensbreuk die het functioneren belemmert en de stress die dit veroorzaakt bij de rechthebbende. Ook de door appellant toegelaten WhatsApp-berichten onderstrepen dat hij niet in het belang van de rechthebbende handelt.
Ten aanzien van de zorgen over het transitietraject overweegt het hof dat de rechthebbende inmiddels onder behandeling is bij een gespecialiseerd kenniscentrum, zodat eventuele problemen worden ondervangen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep.