Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2014 en 2015 en verzocht om vermindering wegens voorkoming van dubbele belasting over inkomen uit arbeid voor Duitse vennootschappen [A GmbH] en [B GmbH]. De rechtbank had de aanslagen verminderd zonder de voorkoming van dubbele belasting toe te kennen en vernietigde de opgelegde boetes.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij werkzaamheden in Duitsland had verricht, maar het hof oordeelde dat zij dit niet aannemelijk had gemaakt. De verklaringen over de aard en locatie van de werkzaamheden waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd. Het adres van [B GmbH] bleek een postadres zonder daadwerkelijke werkzaamheden.
Het hof bevestigde dat het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland bepaalt dat alleen inkomsten uit arbeid die daadwerkelijk in Duitsland zijn verricht, recht geven op voorkoming van dubbele belasting. Omdat belanghebbende dit niet kon aantonen, werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
De aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 werden gehandhaafd zonder vermindering wegens dubbele belasting, de boetes werden vernietigd en de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet bleven gehandhaafd. Het griffierecht werd niet vergoed en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.