Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vader, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl (waarnemend advocaat voor mr. Berendse-de Gruijl),
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 16 december 2020;
- de brief van de raad van 23 februari 2021;
- de brief van de GI van 13 april 2021 met bijlagen.
3.De beoordeling
[minderjarige 1]), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2019.
Het hof onderschrijft deze conclusie van De GezinsManager. Op basis van het dossier en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat de vader onvoldoende in staat is om voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen. Niet omdat de vader dit niet wil, maar omdat [minderjarige 1] meer nodig heeft dan de vader hem kan bieden. [minderjarige 1] is nu anderhalf jaar oud. Hij heeft nooit bij zijn ouders gewoond. Het is een kwetsbaar jong kind dat volledig afhankelijk is van de verzorging die zijn opvoeders hem bieden. [minderjarige 1] heeft een stabiele en duidelijke opvoedomgeving nodig waarin hij fysiek en emotioneel veilig is. Het hof heeft over de vader de volgende zorgen die eraan in de weg staan dat hij zelf voor [minderjarige 1] kan gaan zorgen:
- de moeder speelt nog steeds een rol in het leven van de vader. Die relatie is weliswaar verbroken, maar de moeder komt nog geregeld bij de vader in huis.. De vader vindt dit prima, omdat hij vaak werkt en dan toch niet thuis is. In februari 2021 heeft er nog een ruzie plaatsgevonden tussen de ouders en is de politie naar het huis van de vader gegaan. Anders dan de vader stelt, ziet het hof hierin nog wel een risicofactor. Van stabiliteit op dit gebied is nog geen sprake. De vader heeft het hof niet overtuigd dat de relatieproblemen met de moeder zodanig onder controle zijn dat [minderjarige 1] niet geconfronteerd zal gaan worden met geweld en agressie tussen zijn ouders;
- de vader gebruikt dagelijks alcohol en regelmatig softdrugs, al beweert hij dat de testresultaten van de GI onjuist zijn en dat hij niet zoveel genotsmiddelen gebruikt zoals de GI stelt. Het hof heeft echter geen aanleiding om het standpunt van de GI – zoals zij dat hebben vernomen van Novadic Kentron op 25 september 2020 – in twijfel te trekken. De stelling van de vader dat hij hiermee stopt als [minderjarige 1] bij hem komt wonen, stelt het hof niet gerust, temeer niet nu de vader een verslavingsachtergrond heeft;
- de vader heeft zijn boosheid niet zodanig onder controle als hij zelf stelt. De vader is meerdere keren boos en agressief weggelopen bij de GI. Het hof heeft zelf waargenomen dat de vader tijdens de mondelinge behandeling in grove bewoordingen zijn frustratie uit.. De vader voelt met name veel stress rondom de bezoekmomenten. Het hof maakt zich zorgen wat het effect hiervan is op [minderjarige 1] . Volgens de GI neemt de vader de spanning en boosheid mee de ruimte in en is dit voor [minderjarige 1] ook voelbaar. De advocaat van de vader hecht er veel waarde aan welke bewoordingen de GI gebruikt om de reactie van [minderjarige 1] te duiden. Het hof vindt het minder van belang of [minderjarige 1] ‘heftig’ reageert of ‘enige tijd van slag’ is. Het staat vast dat [minderjarige 1] ander gedrag laat zien na de bezoeken en dat de bezoeken hem ontregelen. De pleegmoeder signaleert dat hij vaker wakker wordt ’s nachts, zich vastklampt aan haar, dat zijn eczeem toeneemt en dat hij zich dagenlang driftig/boos/huilerig gedraagt.
- Tot slot acht het hof het zorgelijk dat het de vader tijdens de bezoeken niet altijd lukt om aan te sluiten bij [minderjarige 1] . Recent nog in februari 2021 speelde de vader, vanuit goede bedoelingen, een fysiek spel waar [minderjarige 1] nog te jong voor was en zijn ogen groot werden van schrik. De vader voelde niet aan, en ziet achteraf niet in, dat [minderjarige 1] dit eng vindt. De contactmomenten vinden nog steeds onder begeleiding plaats en deze begeleiding is nog steeds noodzakelijk om de bezoeken op een voor [minderjarige 1] prettige wijze te laten verlopen. De vader heeft onvoldoende inzicht in wat [minderjarige 1] nodig heeft. Dit blijkt temeer uit zijn verklaring op zitting dat het goed zou zijn voor [minderjarige 1] als hij meteen wordt thuisgeplaatst bij hem. De vader gaat er dan aan voorbij dat [minderjarige 1] sinds 1 oktober 2020 bij zijn pleegouders verblijft met zijn broer [minderjarige 2] . Het zou schadelijk voor [minderjarige 1] zijn om hem hier plotsklaps weg te halen.