ECLI:NL:GHSHE:2021:1485

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 mei 2021
Publicatiedatum
20 mei 2021
Zaaknummer
200.290.853_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArtikel 810 RvArtikel 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij grootmoeder

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind bij de grootmoeder verlengde tot 12 juni 2021. De moeder betwist dat het perspectief van het kind niet langer bij haar ligt en wijst op verbeterde omstandigheden, waaronder het wegvallen van haar vermelding op een zwarte lijst en de verwachting van passende huisvesting.

De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de moeder onvoldoende beschikbaar en stabiel is om de zorg te dragen, ondanks haar opvoedkwaliteiten. Er zijn zorgen over de communicatie tussen moeder en grootmoeder en over de houdbaarheid van het perspectief bij de grootmoeder, zeker met het oog op de naderende leeftijd van het kind.

Het hof overweegt dat het belang van het kind bij een stabiele woonplek voorop staat en dat het kind sinds 2018 niet meer bij de moeder woont. De moeder heeft nog geen geschikte woonruimte, en er is onvoldoende zekerheid over de toekomst. Het verblijf bij de grootmoeder blijft de beste optie, ondanks de zorgelijke communicatie en het onduidelijke perspectief. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootmoeder en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 20 mei 2021
Zaaknummer : 200.290.853/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/370911 / JE RK 20-680
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,
tegen
Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- [de grootmoeder] (hierna te noemen: de grootmoeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 4 december 2020.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 maart 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzochte machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] af te wijzen met ingang van de datum van de beschikking van het hof, althans met ingang van een datum die het hof juist acht. Kosten rechtens.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Keller;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.3.1.
De raad is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen. De pleegmoeder is evenmin verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 december 2020;
  • de brief van de raad d.d. 15 maart 2021;
  • de brief met bijlagen van de GI d.d. 22 april 2021.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 12 juni 2018 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 juni 2021.
3.3.
[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 12 juni 2018 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.
Zij verblijft sedert 1 februari 2020 bij de grootmoeder.
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een persoon uit het netwerk (oma moederszijde) verlengd tot uiterlijk 12 juni 2021.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan. Zij is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij moeder ligt. Als gevolg van obstakels wat betreft passende huisvesting woont [minderjarige] al langere tijd niet meer bij de moeder. Er hebben zich echter belangrijke ontwikkelingen voortgedaan. De moeder staat niet langer vermeld op de zwarte lijst van de woonstichting. Zij kan dus reageren op passende huisvesting voor haarzelf en [minderjarige] . De verwachting is dat zij binnen afzienbare tijd passende huisvesting kan betrekken. De tijd is rijp voor thuisplaatsing van [minderjarige] bij haar. Ook [minderjarige] zelf wil weer bij de moeder kunnen wonen. Een voortgezet verblijf bij de grootmoeder is gelet op de complexe voorgeschiedenis van het systeem contra-geïndiceerd. Er bestaan grote zorgen omtrent de plaatsing van [minderjarige] bij de grootmoeder. De grootmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangegeven geen contact met de moeder te willen en het nooit meer goed te willen maken met haar.
De moeder kan zich wel vinden in de uitgesproken verlenging van de uithuisplaatsing, maar niet in de duur daarvan. De moeder verwacht tijdens de procedure in hoger beroep passende huisvesting te hebben gevonden. Alsdan wenst zij dat de thuisplaatsing zijn beslag zal krijgen.
3.7.
De GI voert (in de brief van 22 april 2021, zoals aangevuld) tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan. De moeder blijft vechten voor [minderjarige] en wenst dat [minderjarige] bij haar terug thuis komt wonen. Hoewel dit de moeder ook gegund is, heeft zij (nog) geen woning waar zij met [minderjarige] zou kunnen verblijven en is zij onvoldoende beschikbaar en stabiel om de zorg voor haar dochter te kunnen dragen. Niet zo zeer de opvoedkwaliteiten van de moeder maar zeker haar beschikbaarheid voor [minderjarige] baart de GI zorgen. Op dit moment is het voor de moeder moeilijk om voor de omgang beschikbaar te zijn; de vraag is hoe dat zou gaan als [minderjarige] weer bij de moeder zou wonen.
Er is een prille samenwerking opgestart tussen de moeder, de grootmoeder en zus [zus] . Hopelijk kan dit ervoor zorgen dat het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] zich bevindt, wordt verkleind. Op dit moment heeft [minderjarige] duidelijkheid en rust nodig, waardoor het in haar belang is dat de plaatsing bij de grootmoeder wordt voortgezet. [minderjarige] heeft recht om te weten waar zij opgroeit; er kan niet van haar worden verwacht dat zij nog langer moet afwachten.
De gezinsvoogd is in gesprek met Sterk Huis en de grootmoeder om te kijken of de situatie bij oma houdbaar is. [minderjarige] geeft aan dat er conflicten zijn bij de grootmoeder. Vanuit pleegzorgen zijn er zorgen geuit over de communicatie tussen de grootmoeder en de moeder. Er worden veel goede dingen gezien maar er zijn zorgen hoe het zal gaan als [minderjarige] straks 16 jaar is. Als [minderjarige] niet bij de grootmoeder kan blijven dan zou het perspectief van [minderjarige] in een gezinshuis zijn.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Het hoger beroep is niet gericht tegen de (verlenging van de) ondertoezichtstelling.
3.8.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.8.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.8.4.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
Het hof onderschrijft het belang van [minderjarige] bij een stabiele woonplek. [minderjarige] woont sinds maart 2018 niet meer bij de moeder. Het is niet in het belang van [minderjarige] om te blijven leven in onduidelijkheid over de plek waar zij opgroeit.
De moeder heeft nog steeds geen geschikte woonruimte kunnen vinden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat haar huidige woonruimte op dit moment wordt verbouwd naar een studio met eigen voorzieningen, waar [minderjarige] haar eigen plek zou kunnen krijgen. Naast de zorgen over geschikte woonruimte zijn er echter ook grote zorgen over de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige] . Bij de uitvoering van de omgangsregeling is te zien dat de moeder niet altijd beschikbaar is voor [minderjarige] . Er is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, te weinig zekerheid over de toekomst. [minderjarige] kan niet langer wachten op die zekerheid.
Ten tijde van de bestreden beschikking was voor de rechtbank en de gezinsvoogd duidelijk dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder moest zijn. Inmiddels zijn er vanuit pleegzorg vragen ontstaan over de houdbaarheid van het perspectief bij de grootmoeder. De communicatie tussen de moeder en oma is problematisch, zeker wanneer [minderjarige] over een poosje 16 jaar oud is.
De gezinsvoogd heeft inmiddels een nieuw verzoek bij de rechtbank ingediend voor verlenging van de uithuisplaatsing voor de duur van half jaar. In die periode wil de gezinsvoogd onderzoeken hoe haalbaar het perspectief bij oma is.
Het perspectief van [minderjarige] is dan ook nog niet helder. Dit vindt het hof zorgelijk maar het neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat - alles overziende - op dit moment het verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder de beste optie is.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De proceskosten worden, gelet op de aard van de procedure, op de gebruikelijk wijze gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 4 december 2020 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, H. van Winkel en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2021 door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.