De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind bij de grootmoeder verlengde tot 12 juni 2021. De moeder betwist dat het perspectief van het kind niet langer bij haar ligt en wijst op verbeterde omstandigheden, waaronder het wegvallen van haar vermelding op een zwarte lijst en de verwachting van passende huisvesting.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de moeder onvoldoende beschikbaar en stabiel is om de zorg te dragen, ondanks haar opvoedkwaliteiten. Er zijn zorgen over de communicatie tussen moeder en grootmoeder en over de houdbaarheid van het perspectief bij de grootmoeder, zeker met het oog op de naderende leeftijd van het kind.
Het hof overweegt dat het belang van het kind bij een stabiele woonplek voorop staat en dat het kind sinds 2018 niet meer bij de moeder woont. De moeder heeft nog geen geschikte woonruimte, en er is onvoldoende zekerheid over de toekomst. Het verblijf bij de grootmoeder blijft de beste optie, ondanks de zorgelijke communicatie en het onduidelijke perspectief. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.