Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, die sinds december 2019 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling (GI).
De moeder betoogt dat zij voldoende stappen heeft gezet om de verzorging en opvoeding van het kind zelf op zich te nemen, waaronder het afronden van een training en het aangaan van een stabiele relatie. De GI stelt daartegenover dat de moeder nog steeds kampt met psychische problematiek, onvoldoende structuur biedt en belastende uitspraken doet die het kind schaden. Eerdere hulptrajecten, waaronder intensieve thuisbegeleiding en verblijf in een moeder-kind-huis, zijn niet succesvol gebleken.
Het hof oordeelt dat ondanks de inspanningen van de moeder, er nog steeds een noodzaak bestaat voor de uithuisplaatsing. De moeder is niet stabiel genoeg om de zorg thuis te bieden, en het belang van het kind bij rust en structuur in het pleeggezin weegt zwaar. Tevens loopt er een onderzoek naar een mogelijke gezagsbeëindiging. Daarom wordt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd.