ECLI:NL:GHSHE:2021:1699

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
10 juni 2021
Zaaknummer
200.291.425_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 810 RvJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, die sinds december 2019 onder toezicht staat van de gecertificeerde instelling (GI).

De moeder betoogt dat zij voldoende stappen heeft gezet om de verzorging en opvoeding van het kind zelf op zich te nemen, waaronder het afronden van een training en het aangaan van een stabiele relatie. De GI stelt daartegenover dat de moeder nog steeds kampt met psychische problematiek, onvoldoende structuur biedt en belastende uitspraken doet die het kind schaden. Eerdere hulptrajecten, waaronder intensieve thuisbegeleiding en verblijf in een moeder-kind-huis, zijn niet succesvol gebleken.

Het hof oordeelt dat ondanks de inspanningen van de moeder, er nog steeds een noodzaak bestaat voor de uithuisplaatsing. De moeder is niet stabiel genoeg om de zorg thuis te bieden, en het belang van het kind bij rust en structuur in het pleeggezin weegt zwaar. Tevens loopt er een onderzoek naar een mogelijke gezagsbeëindiging. Daarom wordt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigd.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd in het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 10 juni 2021
Zaaknummer : 200.291.425/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/365208 / JE RK 20-1782
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 11 december 2020.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en het inleidend verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 april 2021 heeft de GI gemotiveerd verweer gevoerd.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Laeyendecker;
- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .
2.3.1.
De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 december 2020;
  • het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 20 april 2021;
  • de brief van de GI d.d. 3 mei 2021, ingekomen ter griffie op 4 mei 2021;
  • het tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde
Evaluatieverslag van [organisatie] d.d. 7 mei 2021.
2.4.1.
Volgens afspraak is na de mondelinge behandeling nog ingekomen:
- het evaluatieverslag van [gezinshuis] d.d. 21 september 2020.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 19 december 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk, bij de bestreden beschikking, verlengd tot 19 december 2021.
3.3.
Bij beschikking van 20 februari 2020 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 16 maart 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een ‘verblijf pleegouders 24 uurs’ verlengd tot 19 december 2020. Op 20 juli 2020 zijn de moeder en [minderjarige] naar het moeder-kind-huis van [gezinshuis] in [plaats] gegaan. Sinds januari 2021 woont [minderjarige] in een netwerkpleeggezin (bij de zus van de moeder) in [plaats] .
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in dit hoger beroep van belang, de aan de GI verleende machtiging verlengd tot uiterlijk 19 december 2021.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat – het volgende aan.
Er is geen noodzaak meer voor de uithuisplaatsing. De moeder heeft goede stappen gemaakt, ze heeft haar leven op orde. Ze heeft onlangs de Vers-training afgerond. Ze heeft een stabiele relatie. Ze doet haar best, is gemotiveerd en ze kan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met hulpverlening, zelf dragen. Ook uit het verslag van [organisatie] blijkt dat het op veel gebieden goed gaat. Dat de plaatsing bij het gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] niet goed is gelukt, komt omdat de moeder zich totaal niet op haar plek voelde in dat huis. Er is verder geen samenwerking tussen de hulpverlening van de moeder en de GI, waardoor de GI niet goed op de hoogte is hoe het met de moeder gaat.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling,
- kort samengevat - het volgende aan.
De moeder kampt nog steeds met eigen problematiek. Zij heeft veel op haar bord, waardoor zij niet in staat is om de verzorging en opvoeding die [minderjarige] nodig heeft, vorm te geven. Er is bij de moeder geen structuur en het ontbreekt haar aan de basis opvoedcapaciteiten. Daarbij doet zij belastende uitspraken jegens [minderjarige] en heeft zij niet in de gaten dat die uitspraken [minderjarige] geen goed doen.
Er is al veel ingezet voor de moeder. Eerst is er intensieve thuisbegeleiding geweest, vervolgens is [minderjarige] op een crisisplek geplaatst en daarna is 24-uurs begeleiding ingezet in het moeder-kind-huis van [gezinshuis] te [plaats] . Bij het moeder-kind-huis van [gezinshuis] was de moeder niet te begeleiden. Zij kwam haar afspraken vaak niet na, was verbaal agressief, niet leerbaar en er hebben meerdere incidenten plaatsgevonden. De moeder heeft de kansen die zij heeft gekregen niet benut. De GI heeft de raad verzocht om te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.8.3.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.8.4.
Het hof is van oordeel dat er nog steeds een noodzaak bestaat voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] en overweegt daartoe het volgende.
Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er op dit moment veel gaande is. [minderjarige] heeft in een korte periode op meerdere plekken verbleven en woont nu sinds een paar maanden bij haar tante (halfzus van de moeder). De moeder kampt met eigen (psychische) problematiek. Gebleken is ook dat de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] onlangs zijn verminderd (naar 1 keer in de twee weken drie uur, waarvan één uur begeleid), volgens de GI onder andere omdat de moeder uitspraken doet waar [minderjarige] last van heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is het hof ook gebleken dat de moeder verwarrende uitspraken doet over waar [minderjarige] zal verblijven en dat de moeder niet goed inziet hoe belastend dit voor [minderjarige] is.
De GI heeft op verschillende manieren hulpverlening ingezet. Eerst was er intensieve hulp in de thuissituatie. Later is een traject van meerdere maanden ingezet bij het moeder-kind-huis van [gezinshuis] , waar 24-uurs begeleiding betrokken was. Deze trajecten zijn mislukt. De moeder geeft weliswaar aan dat het moeder-kind-huis niet de juiste plek voor haar was en dat zij inmiddels de VERS-training heeft afgerond, maar deze omstandigheden vindt het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat [minderjarige] terug naar de moeder kan. Het hof acht de moeder op dit moment niet zo stabiel dat zij de verzorging en de opvoeding voor [minderjarige] zelf thuis aan kan. Daarbij komt dat er op dit moment een raadsonderzoek naar de wenselijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel loopt, waarvan de uitkomst nog onduidelijk is. Onder die omstandigheden is het niet in het belang van [minderjarige] om weer van verblijf te wisselen. De rust en structuur bij de pleegouders is voor haar nu het belangrijkst. Het hof acht een verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] dus nog steeds noodzakelijk.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, H. van Winkel en M.I. Peereboom-van Druncik en is door H. van Winkel op 10 juni 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.