De zaak betreft een hoger beroep van ouders tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van hun minderjarige kind, geboren in 2013. De rechtbank had de OTS verlengd tot 12 januari 2022, maar de ouders betwistten dit en voerden aan dat de ontwikkelingsbedreigingen niet ernstig genoeg zijn en dat de hulpverlening niet adequaat wordt uitgevoerd.
De gecertificeerde instelling (GI) voerde aan dat de houding van de ouders de ontwikkeling van het kind bedreigt omdat zij geen toestemming geven voor noodzakelijke hulpverlening en schoolwisselingen. Het hof stelde vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de wettelijke voorwaarden voor een OTS verlenging gelden indien er sprake is van ernstige bedreiging en onvoldoende acceptatie van zorg.
Echter, het hof constateerde dat de GI feitelijk geen uitvoering meer geeft aan de ondertoezichtstelling sinds het laatste OTS-plan van december 2019 en dat er geen zicht is op verbetering op korte termijn. Hierdoor is de verlenging niet gerechtvaardigd. Het hof vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot verlenging af.