Deze zaak betreft een geschil over het omgangsrecht tussen een moeder en haar minderjarige kind, waarbij de vader in hoger beroep verzoekt het recht op omgang van de moeder te ontzeggen. De ouders hebben gezamenlijk gezag gehad, maar sinds februari 2021 oefent de vader het gezag alleen uit. De omgangsregeling was sinds 2014 geregeld, maar door problemen en strijd tussen de ouders is de omgang beperkt tot begeleide contactmomenten.
De rechtbank had in april 2020 bepaald dat de moeder één keer per kwartaal begeleid contact mocht hebben met het kind. De vader is het hier niet mee eens en verzoekt in hoger beroep om ontzegging van het omgangsrecht voor de duur van één jaar, omdat de moeder herhaaldelijk afspraken niet nakomt en het kind hierdoor teleurgesteld raakt.
Het hof overweegt dat de moeder kennelijk ongeschikt is om omgang te hebben, gelet op haar onbetrouwbaarheid, het niet nakomen van afspraken en de impact daarvan op het kind. Er is geen zicht op verbetering op korte termijn. Daarom wordt het recht op omgang ontzegd zonder vaste termijn, met de mogelijkheid voor de moeder om na een jaar of bij gewijzigde omstandigheden opnieuw een verzoek in te dienen.