De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die een machtiging tot uithuisplaatsing van een 15-jarige minderjarige heeft verleend. De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing en stelt dat er geen noodzaak is omdat de minderjarige het goed doet op school en openstaat voor hulpverlening. De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat vrijwillige hulpverlening niet op gang komt door de hulpvermijdende houding van de moeder.
De minderjarige staat sinds juni 2020 onder toezicht van de GI en is in mei 2021 geplaatst in een behandelgroep. De GI heeft meerdere hulpverleningsinstanties ingezet, maar deze konden geen effectieve hulp bieden vanwege de weerstand van de moeder. De moeder heeft ook haar eigen hulpverlening stopgezet. De minderjarige heeft emotionele en sociale problemen, waaronder een laag zelfbeeld en loyaliteitsconflicten.
Het hof overweegt dat de moeder ondanks toezeggingen onvoldoende meewerkt aan hulpverlening, waardoor de noodzakelijke zorg voor de minderjarige niet vanuit huis kan worden geboden. De uithuisplaatsing is noodzakelijk voor de emotionele en sociale ontwikkeling van de minderjarige en niet bedoeld als straf. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking tot uithuisplaatsing en verklaart het verzoek tot schorsing van de moeder niet-ontvankelijk.