Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2015 met een uiterste datum van 1 mei 2016. Via de beconregeling is op 24 maart 2016 uitstel gevraagd en op 11 mei 2016 verleend tot 1 mei 2017, terwijl de aangifte reeds op 9 mei 2016 was ingediend. De inspecteur legde vervolgens op 9 augustus 2019 de definitieve aanslag op.
Belanghebbende stelde dat het uitstel onrechtmatig was omdat het verleend werd nadat de aangifte al was ingediend, en dat de aanslag daarom buiten de wettelijke termijn was opgelegd. De inspecteur verweerde zich met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, waarin werd bepaald dat de inspecteur niet hoeft te controleren of de aangifte al is gedaan of of de belastingplichtige daadwerkelijk belang heeft bij het uitstel.
Het hof volgde het standpunt van de inspecteur en oordeelde dat het uitstel rechtsgeldig was verleend en de aanslag tijdig was opgelegd binnen de verlengde termijn. Het hof wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.