Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die zijn verzoek tot gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind heeft afgewezen. De vader had het kind erkend en wenste mede het gezag uit te oefenen naast de moeder, die het gezag en hoofdverblijf heeft.
De vader stelde dat gezamenlijk gezag geen risico voor het kind oplevert en dat communicatie tussen ouders mogelijk is. De moeder betoogde dat het kind behoefte heeft aan rust en structuur, dat de vader onvoldoende betrokken is geweest en dat gezamenlijk gezag spanningen kan veroorzaken die het belang van het kind schaden. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing vanwege het prille contact tussen vader en kind.
Het hof overweegt dat de vader lange tijd niet betrokken was, dat het contact recent hersteld wordt via hulpverlening en dat de communicatie tussen ouders niet voldoende is om gezamenlijk gezag te dragen. Het risico op spanningen die het contact tussen vader en kind kunnen schaden is te groot. Daarom wordt het verzoek van de vader afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De proceskosten worden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak is gedaan door het hof 's-Hertogenbosch op 24 juni 2021.