Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
[de vennootschap],
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 5 november 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast
- het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2020
- de memorie van grieven van 28 april 2020 met producties 1 tot en met 5
- de memorie van antwoord van 14 juli 2020 met productie 1
- het pleidooi van 7 juni 2021, waarbij [appellanten] pleitnotities heeft overgelegd.
6.De beoordeling
bedoeld is het bedrag van € 85.019,39 – toevoeging hof] overgeboekt naar [betrokkene]
– toevoeging hof]. De verzekeringsmaatschappij heeft aangegeven dat op het tegoed door u beslag is gelegd en het tegoed hierdoor niet ter beschikking dient te komen van [betrokkene] . Conform de derdenverklaring aangeeft, betreft dit een onverschuldigde betaling. Hetgeen inhoudt de betaling is verricht zonder dat hier een rechtsgrond aan ter grondslag ligt. Nu de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag zoals blijkt uit artikel 6:203 lid 2 BW Pro. Het tegoed is op dezelfde dag aan de desbetreffende verzekeringsmaatschappij geretourneerd.
€ 8.124,-