Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6918892 \ CV EXPL 18-3186)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met productie;
- de memorie van antwoord;
- de mondelinge behandeling op 28 april 2021.
3.De beoordeling
Name [geïntimeerde]
Date Type of Expenditure Amount
- 1.085
9 januari” en de handtekening van [appellant] lopen door elkaar heen.
- [appellant] erkent dat hij van [geïntimeerde] de in de eerste twee posten op de schuldbekentenis genoemde bedragen van in totaal € 1.085,00 heeft geleend en dus ligt dit deel van de vordering in beginsel voor toewijzing gereed (rov. 4.3.).
- Uit de door [geïntimeerde] overgelegde betalingsoverzichten volgt dat [geïntimeerde] een bedrag van € 1.150,00 aan [appellant] heeft geleend en dus ligt ook dit deel van de vordering in beginsel voor toewijzing gereed (rov. 4.5.).
- Aangezien [appellant] voor het overige deel van de vordering ad € 8.803,08 de echtheid van de schuldbekentenis betwist, zal [appellant] in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat de schuldbekentenis vals is. Slaagt hij daarin niet, dan ligt de vordering van [geïntimeerde] in beginsel voor toewijzing gereed (rov. 4.6.).
- Indien [appellant] wel slaagt in het te leveren bewijs, geldt dat [geïntimeerde] het bepaalde in artikel 21 Rv Pro heeft veronachtzaamd. In dat geval zal de vordering van [geïntimeerde] voor het meerdere van € 2.235,00 (€ 1.085,00 + € 1.150,00) worden afgewezen (rov. 4.7.).
- [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat hij van het geleende geld reeds € 2.000,00 heeft terugbetaald. Indien hij hierin slaagt, zal dit bedrag op de vordering in mindering worden gebracht (rov. 4.9.).