In deze civiele procedure staat de schadevergoeding centraal die [appellante] vordert vanwege de onrechtmatige weigering van haar exploitatievergunning door de gemeente Breda. De rechtbank had de vordering afgewezen, voornamelijk omdat de schade onvoldoende was onderbouwd.
In hoger beroep heeft het hof de grieven van [appellante] beoordeeld. De eerste grief, waarin zij het geschil in volle omvang aan het hof wilde voorleggen, werd verworpen wegens onvoldoende specificatie. De tweede grief betrof het niet meenemen van een opstarttermijn bij de schadeberekening; het hof oordeelde dat een opstarttermijn afhankelijk is van de omstandigheden en dat [appellante] deze onvoldoende had onderbouwd.
De derde grief betrof de doorlopende kosten tijdens de stilstand van de onderneming, waaronder huurkosten. Het hof vond dat [appellante] niet aannemelijk had gemaakt dat deze kosten in causaal verband stonden met het onrechtmatig handelen van de gemeente en dat zij onvoldoende bewijs had geleverd van daadwerkelijke betalingen. De vierde grief over de proceskostenveroordeling faalde eveneens. Het hof bekrachtigde daarom de eerdere vonnissen en veroordeelde [appellante] in de kosten van hoger beroep.