De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, geboren in 2008. De minderjarige verblijft sinds juli 2020 in een pleeggezin en staat sinds 2017 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI). De moeder verzet zich tegen de verlenging en pleit voor terugplaatsing, terwijl de GI en de vader de noodzaak van voortzetting benadrukken.
Het hof overweegt dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, mede door de spanningen tussen ouders en de juridische procedures. De moeder erkent dat de situatie belastend is, maar meent dat thuisplaatsing mogelijk is gezien de positieve ontwikkelingen en het ontbreken van directe hulpverleningsbehoefte. De GI stelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is om de bedreiging af te wenden, de ontwikkeling te monitoren en het contact met beide ouders in een neutrale omgeving te bevorderen.
Het hof concludeert dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan en dat de belangen van de minderjarige het best gediend zijn met voortzetting van de maatregelen. Een vroegtijdige terugplaatsing acht het hof onverantwoord vanwege lopend diagnostisch onderzoek en de noodzaak van stabiliteit. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd.