In deze zaak staat de contactregeling tussen de ouders en hun minderjarige kind, dat sinds kort in een perspectief biedend pleeggezin verblijft, centraal. De ouders zijn gezamenlijk gezagsbekwamen en wensen een uitbreiding van het contact van eenmaal per twee weken naar drie dagen per week. De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat het belang van het kind primair ligt bij het hechtingsproces met de pleegouders en dat de huidige regeling passend is.
Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige vereist dat hij zijn band met beide ouders behoudt naast de hechting aan de pleegouders. Het hof acht een wekelijkse contactregeling van één uur passend en noodzakelijk, omdat deze frequentie het hechtingsproces niet schaadt en aansluit bij de behoeften en reacties van het kind. De duur van één uur per contactmoment wordt gehandhaafd vanwege vermoeidheid na deze tijd.
De schriftelijke aanwijzing van de GI wordt voor zover het de contactregeling betreft vernietigd en vervangen door de nieuwe regeling: één begeleid contactmoment per week van één uur, met vier extra contactmomenten per jaar rondom feestdagen. De contactmomenten vinden plaats in en rondom de woning van de pleegouders, met aanwezigheid van pleegouders en waar nodig een pleegzorgwerker. Evaluaties blijven plaatsvinden om de regeling aan te passen indien het belang van het kind dat vereist.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor zover het de contactregeling betreft.