ECLI:NL:GHSHE:2021:2247

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 juli 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
200.285.046_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag ouders over minderjarige ondanks communicatieproblemen

In deze civiele zaak stond het geschil over het gezamenlijk gezag van de ouders over hun minderjarige kind centraal. De moeder was tegen de beschikking van de rechtbank die het gezamenlijk gezag toekende aan zowel haar als de vader. Zij vreesde dat de moeizame communicatie en het gebrek aan vertrouwen tussen haar en de vader schadelijk zouden zijn voor het kind.

De vader had wekelijks omgang met het kind onder begeleiding van Rubicon en wilde mede het gezag uitoefenen. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden het gezamenlijk gezag te handhaven, omdat de vader betrokken is en de omgang goed verloopt. Het hof stelde vast dat geen onaanvaardbaar risico bestond dat het kind klem zou raken tussen de ouders.

Het hof oordeelde dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Tevens werd de proceskostenverdeling vastgesteld waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De ondertoezichtstelling blijft van kracht en de communicatie tussen ouders zal daarin worden begeleid.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 15 juli 2021
Zaaknummer: 200.285.046/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/270567 / FA RK 19-3960
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. D. Haacke,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader
.
Deze zaak gaat over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats].
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie],
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 december 2019 en 18 augustus 2020, zoals hersteld bij beschikking van 24 september 2020, die zijn uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 oktober 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 18 augustus 2020 te vernietigen voor zover het betreft het gezag en verzocht het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] alsnog af te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. B.C.A. Reijnders (kantoorgenoot van mr. Haacke);
-de vader;
-de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad];
- de gecertificeerde instelling stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de GI), die is opgeroepen als informant, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 27 november 2019 en 18 augustus 2020;
- een V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 12 november 2020;
- een V-formulier met een brief van de advocaat van de moeder d.d. 7 december 2020;
- een beschikking ter zake de ondertoezichtstelling van [minderjarige], die de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben samengewoond. De relatie is in februari 2018 geëindigd.
3.2.
Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend. [minderjarige] woont bij de moeder. De moeder heeft tot de datum van de bestreden beschikking van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] uitgeoefend.
3.3.
Bij beschikking van 18 augustus 2020 (C/03/280160 / JE RK 20-1510) heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 augustus 2020 tot 18 augustus 2021.
3.4.
Bij de bestreden beschikking van 18 augustus 2020 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige]
.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.
Het gaat goed met [minderjarige]. Het is in haar belang dat zij veilig en rustig kan opgroeien. Het veranderen van de huidige omstandigheden door de vader mede met het gezag te belasten, leidt tot onrust en schade bij [minderjarige].
De communicatie tussen de ouders verloopt zeer stroef en onderling vertrouwen ontbreekt door gebeurtenissen die tussen de ouders in het verleden hebben plaatsgevonden. De vader heeft lange tijd niet naar [minderjarige] omgekeken. Er vindt nu alleen communicatie tussen de ouders plaats in het kader van de omgangsbegeleiding door Rubicon. De moeder gunt [minderjarige] omgang met de vader, maar zij staat niet achter gezamenlijk gezag met de vader. Verbetering in de onderlinge communicatie tussen de ouders is niet te verwachten, terwijl zij voor het nemen van gezamenlijke beslissingen over [minderjarige] wel moeten kunnen overleggen. De stap naar gezamenlijk gezag is te groot, omdat het risico bestaat dat [minderjarige] klem raakt tussen de ouders.
3.7.
De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.
Hij heeft wekelijks omgang met [minderjarige] met hulp van Rubicon. De duur van de omgang is momenteel twee uur per keer en in principe zal dit komende maand verder uitgebreid worden. Hij komt alle afspraken na. [minderjarige] zoekt steeds meer toenadering tot hem. Hij ziet wel verandering in het gedrag van [minderjarige] wanneer zij naar huis gaat. Hij wijdt dit aan de omstandigheid dat de moeder niet achter de omgang staat.
De vader wil mede het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Hij weet hoe het met [minderjarige] gaat doordat hij haar ziet, maar verdere informatie, bijvoorbeeld over afspraken met de huisarts en tandarts, ontvangt hij niet. Het is voor hem mogelijk om met de moeder te communiceren, bijvoorbeeld door middel van e-mailberichten of whatsapp-berichten.
3.8.
De raad adviseert – kort samengevat – de beslissing van de rechtbank om de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten in stand te laten. Door gezamenlijk gezag kunnen de ouders een gelijkwaardige positie innemen. Na de bestreden beslissing is niet gebleken dat het gezamenlijk gezag negatief uitpakt voor [minderjarige]. Wel zullen de ouders moeten werken aan hun onderlinge communicatie. Met de hulpverlening moet een manier gevonden worden om te zorgen dat de vader op de hoogte is van [minderjarige] en mede zeggenschap heeft.
3.9.
De GI informeert het hof – kort samengevat – als volgt.
De GI ziet de kloof die tussen de ouders bestaat. De vader wil de strijdbijl begraven, terwijl de moeder nog niet zo ver is. De uitspraak over het gezag kan daarbij misschien helpend zijn. Gezien wordt dat de vader betrokken is en dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] goed verloopt. Aan het einde van de omgang is wel een verandering zichtbaar bij [minderjarige]. Zij wordt belast. Het is nodig dat de moeder begrip gaat krijgen voor de reden van de ondertoezichtstelling. In de uitvoering van de ondertoezichtstelling zal de communicatie tussen de ouders aan de orde komen.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
3.10.1.
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.10.2.
Vaststaat dat het contact tussen de vader en [minderjarige] is hersteld. Onder begeleiding van Rubicon hebben zij nu wekelijks contact gedurende twee uur en dit verloopt goed. De GI heeft verklaard dat de vader betrokken is en de omgangsafspraken nakomt.
De vader speelt een rol in het leven van [minderjarige] en naar het oordeel van het hof past daarbij, in lijn met het uitgangspunt van de wetgever, dat hij samen met de moeder is belast met het gezag over [minderjarige]. Niet is gebleken van de hiervoor onder a en b genoemde afwijzingsgronden. De moeder stelt dat er sprake is van gebrek aan vertrouwen en communicatie tussen de ouders, maar dat [minderjarige] in de huidige omstandigheden klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of dat gezamenlijk gezag niet in haar belang moet worden geacht is onvoldoende onderbouwd en ook niet gebleken. De ouders oefenen vanaf de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. Niet gebleken is dat sindsdien het gezamenlijk gezag in de weg heeft gestaan aan de te nemen beslissingen over [minderjarige]. Daarbij komt dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de GI heeft verklaard dat in het kader van de ondertoezichtstelling aandacht zal zijn voor de communicatie tussen de ouders, zodat op dat vlak nog een verbetering mag worden verwacht.
3.11.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
3.12.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat de procedure het kind van partijen betreft.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 augustus 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.C.E. Ackermans en E.M.C. Dumoulin en is op 15 juli 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.