De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar drie minderjarige kinderen verlengde tot 27 september 2021. De kinderen zijn sinds april 2020 uit huis geplaatst bij de oma moederszijde, een netwerkpleeggezin. De moeder stelt dat zij inmiddels in staat is om voor de kinderen te zorgen, zeker met ondersteuning, en verzoekt om een contra-expertise om haar draagkracht en de mogelijkheden tot thuisplaatsing te onderzoeken.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat het perspectief van de kinderen bij de oma ligt en dat er al langere tijd zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder, ook voorafgaand aan haar auto-ongeluk. De moeder heeft beperkt inzicht in haar beperkingen en toont geen hulpvraag. De situatie bij de moeder is niet stabiel, mede door financiële problemen en een onveilige partner.
Het hof overweegt dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en dat het belang van de kinderen gediend is met voortzetting van de plaatsing bij de oma. Het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen omdat het risico bestaat dat de geboekte vooruitgang bij de kinderen teniet wordt gedaan en de moeder onvoldoende stabiel is.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.