Deze zaak betreft een hoger beroep van een vader tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de zorgregeling voor zijn twee minderjarige kinderen na ontbinding van het huwelijk met de moeder. De vader verzocht primair om een zorgregeling waarbij de kinderen meer tijd gezamenlijk bij hem doorbrengen, subsidiair om een regeling met meer evenwicht in de zorgtaken, en meer subsidiair om handhaving van de oorspronkelijke regeling. De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder verzochten het beroep af te wijzen.
Het hof oordeelt dat het primaire en subsidiaire verzoek van de vader niet-ontvankelijk is omdat hij in eerste aanleg geen verzoeker was en niet voor het eerst in hoger beroep een dergelijk verzoek kan doen. Het hof toetst het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling aan artikel 1:265g lid 1 BW en stelt vast dat de GI voldoende heeft onderbouwd dat de oorspronkelijke regeling door de frequente wisselingen onrust en onveiligheid voor de kinderen veroorzaakte. De gewijzigde regeling zorgt voor meer rust en minder conflicten.
Verder constateert het hof dat sinds 19 mei 2020 de oudste minderjarige bij de vader woont en vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op die periode en dat kind. Voor het overige bekrachtigt het hof de beschikking. De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot wijziging van de zorgregeling.