Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/248408 / HA ZA 18-173)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 16 juni 2021 toegezonden productie, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
IIC B.V., Indra Holding B.V., Indra Infra Producten B.V.B.A., Indra S.A.R.L. en Indra GmbH (hierna gezamenlijk: de Indra-vennootschappen of: de kredietnemers) een krediet van € 855.000,00 verstrekt. Dit krediet bestaat uit een combinatiefaciliteit van € 50.000,00 en een drietal leningen van respectievelijk
€ 150.000,00 borg gesteld tot zekerheid voor alles wat de Bank van de kredietnemers te vorderen heeft of zal krijgen.
10 augustus 2015 te voldoen.
Zojuist heb ik met de bank de afspraak gemaakt dat de curator de voorraad gaat verkopen. Vooralsnog zal er dan ook niet worden geveild.”
13 februari 2018).
- Omdat [appellant] de bevoegdheid van de Bank om de kredietovereenkomst op te zeggen niet ter discussie heeft gesteld, is het uitgangspunt dat het de Bank vrijstond de kredietovereenkomst op te zeggen (rov. 4.3.).
- Omdat de kredietnemers in de nakoming van hun betalingsverplichting jegens de Bank zijn tekortgeschoten, was de Bank op grond van artikel 7:855 lid 1 BW Pro bevoegd [appellant] als borg tot betaling aan te spreken (rov. 4.5.).
- Of sprake is geweest van een schending van de zorgplicht of onrechtmatig handelen van de Bank kan in het midden blijven omdat een eventuele schadevergoedingsverplichting van de Bank niet tot gevolg heeft dat de betalingsverplichtingen van [appellant] uit hoofde van de borgtocht is komen te vervallen (rov. 4.6.).
- Een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro kan [appellant] niet baten (rov. 4.6.).
- [appellant] heeft geen beroep gedaan op verrekening van schade en heeft geen reconventionele vordering tot schadevergoeding ingesteld (rov. 4.6.).