Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin verdachte was veroordeeld voor meerdere diefstallen, waaronder diefstal uit een woning gedurende de nachtrust en diefstal met valse sleutels. Het hof bevestigde de bewezenverklaringen en de opgelegde straf van 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
De verdediging voerde aan dat verdachte in hoger beroep aanwezig was, in tegenstelling tot de eerste aanleg, en verzocht om strafmatiging en een voorwaardelijke straf, mede op basis van een reclasseringsadvies. Het hof oordeelde echter dat de ernst van de feiten, de proceshouding van verdachte en zijn strafblad geen aanleiding gaven tot strafvermindering.
Betreffende de schadevergoeding van €142,00 aan de benadeelde partij, stelde het hof vast dat onvoldoende bewijs was geleverd en dat de benadeelde partij niet aanwezig was om de schade te onderbouwen. Daarom verklaarde het hof de vordering niet-ontvankelijk en bepaalde dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend. De kosten van partijen werden gecompenseerd.
Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en deed in zoverre opnieuw recht, terwijl het vonnis in alle overige onderdelen werd bevestigd.