In deze zaak staat de omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kind centraal, nadat het gezag van de vader over het kind is beëindigd. De moeder, die het hoofdverblijf heeft, is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die een begeleide omgang onder professionele begeleiding heeft vastgesteld.
De moeder voert aan dat de omgang vanwege de financiële situatie, veiligheidsrisico's en psychische gesteldheid van de vader niet zonder meer kan plaatsvinden. Zij vreest negatieve ervaringen voor het kind en pleit voor een psychodiagnostisch onderzoek. De vader stelt dat zijn situatie stabiel is, dat hij openheid heeft gegeven en dat de omgang onder begeleiding van de Mutsaersstichting veilig kan plaatsvinden. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het belang van het contact en acht de BOR-regeling passend.
Het hof overweegt dat sinds het raadsrapport ruim anderhalf jaar is verstreken zonder onregelmatigheden en dat er geen contra-indicaties zijn voor de BOR-regeling. De psychische klachten van de vader worden adequaat behandeld en de moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat haar klachten een belemmering vormen. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep.