De zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die machtiging gaf tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waren bedoeld ter bevordering van de verzorging, opvoeding en het geestelijk en lichamelijk onderzoek van het kind.
De ouders betoogden dat zij meewerken aan hulpverleningstrajecten en dat uithuisplaatsing het kind onnodig ontwricht. Zij stelden dat het verblijf niet passend is en dat de GI onvoldoende stappen heeft gezet om schoolgang te bevorderen. De GI stelde dat het kind niet voldoende gestimuleerd wordt, dat het verblijf passend is en dat uitstel van plaatsing niet in het belang van het kind is.
Het hof overwoog dat aan de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing is voldaan en dat de ouders onvoldoende gemotiveerd zijn om de samenwerking duurzaam te verbeteren. De kans op slagen van ambulante hulpverlening zonder uithuisplaatsing acht het hof nihil. Het hof bekrachtigde de beschikking tot 3 februari 2022 en vernietigde deze daarna, waarna het verzoek van de GI werd afgewezen. Het schorsingsverzoek van de ouders werd niet-ontvankelijk verklaard.