De zaak betreft een geschil tussen ouders die gezamenlijk het gezag over hun drie minderjarige kinderen uitoefenen. De moeder verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar een andere plaats en hen daar op school en kinderdagverblijf in te schrijven. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de moeder in hoger beroep ging.
De moeder stelde dat zij vanwege haar afhankelijke positie tijdens de relatie en de wens om een eigen leven op te bouwen, met de kinderen wilde terugkeren naar haar geboorteplaats. Zij wees op de beschikbaarheid van een woning en haar sociale netwerk aldaar. De vader betoogde dat de kinderen geworteld zijn in de huidige woonomgeving, dat er een geschikte woning beschikbaar is en dat de voorgestelde contactregeling bij verhuizing niet werkbaar zou zijn.
Het hof overwoog dat het belang van de kinderen en de vader bij het handhaven van de huidige situatie zwaarder wegen dan het belang van de moeder om te verhuizen. De moeder had onvoldoende aangetoond dat verhuizing noodzakelijk was en de voorgestelde zorgregeling bood onvoldoende compensatie voor het contactverlies tussen vader en kinderen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.