Uitspraak
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind bij de vader is verleend. De moeder betwistte de noodzaak van deze machtiging, aangezien het kind al sinds juni 2020 bij de vader woont met haar instemming en zij geen verweer voerde tegen de wijziging van het hoofdverblijf.
De gecertificeerde instelling (GI) voerde aan dat de machtiging noodzakelijk was om het verblijf bij de vader te formaliseren en te voorkomen dat de moeder het verblijf voortijdig zou afbreken. Tevens werd aangevoerd dat de machtiging nodig was om fiscale toeslagen en kinderbijslag aan de vader toe te kennen.
Het hof oordeelt dat de noodzaak voor uithuisplaatsing niet is komen vast te staan. De moeder heeft medewerking verleend aan het verblijf bij de vader en er is geen reëel risico dat zij het verblijf zou afbreken. Het financiële argument is onvoldoende grond voor machtiging. Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot machtiging af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing af wegens ontbreken van noodzakelijkheid.